23C32 · Chapter 17 of 24

Maránne en de regen

Regen was in C zelden een gebeurtenis.

Meestal was regen waterbeheer.

Hij viel waar hij nuttig was, wanneer oppervlakken hem konden ontvangen, in hoeveelheden die niet te veel herinnering achterlieten op muren, kleding, huid of verkeer. Wie nat werd, werd zelden nat door vergissing. Er waren overgangen, overkappingen, looplijnen, kleine vertragingen in deuren, zachte waarschuwingen in de vloer. C had regen niet afgeschaft. Daarvoor was water te oud. C had alleen geleerd om regen minder willekeurig te laten zijn.

Deze regen was niet willekeurig.

Dat stond al in het bericht van Nore.

NEERSLAGBLOOTSTELLING TOEGESTAAN
DUUR: 00:07:00
OMGEVING: HERSTELTUIN C-WEST
BETROKKENE: MARÁNNE
BEZOEKER TOEGELATEN

Daaronder had Nore zelf geschreven:

Ze vroeg of u komt zonder iets mee te nemen.

Hij had het bericht drie keer gelezen.

Niet omdat hij het niet begreep.

Omdat hij niet wist welk deel van de zin gevaarlijker was.

Zonder iets mee te nemen.

Zijn hand had daarna de hele weg naar het Herstelhuis gedaan alsof zij niet wist waar zij moest zijn. Niet in zijn zak. Niet naast zijn lichaam. Niet om zijn ring. Soms had hij haar toch in zijn binnenzak gestoken, uit gewoonte, en dan had hij stof gevoeld waar eerder glas had gelegen.

De stof was niet leeg.

Stof was stof.

Maar zijn hand bleef zoeken alsof leegte een vorm had die je opnieuw kon missen.

Bij de ingang van C-West stond Nore.

Niet bij de balie.

Bij de buitendeur.

Dat was ongebruikelijk genoeg om niet toevallig te zijn.

“Ze is al buiten,” zei Nore.

“Mag dat?”

“Vandaag wel.”

“Waarom vandaag?”

Nore keek langs hem heen naar de smalle strook tuin achter het glas. De regen viel daar in dunne lijnen. Niet hard. Niet zacht. Precies genoeg om zichtbaar te zijn.

“Omdat zij het vroeg voordat ik wist waarom ik nee zou zeggen.”

Hij keek naar haar.

“Dat is nieuw.”

“Voor mij ook.”

Nore hield een hand tegen de deurplaat, maar opende niet meteen. In haar andere hand zat een dun meetlint, of iets dat daarop leek, alleen zonder cijfers die hij kon lezen. Het hing slap tussen haar vingers.

“Ze wordt snel koud,” zei Nore.

“Dan moet ze naar binnen.”

“Ja.”

“En als ze niet wil?”

“Dan moet ze naar binnen.”

Zij zei het niet als macht.

Zij zei het als iemand die wist dat zorg soms pas zichtbaar werd wanneer zij onaardig klonk.

“Ze heeft gevraagd of ik niet bij het eerste rillen ingrijp,” zei Nore.

“En?”

“Ik heb niet beloofd dat ik dat kan.”

“Goed.”

Nore keek hem aan.

“Zeg dat niet te snel.”

Hij knikte.

De deur ging open.

Regen kwam niet naar binnen.

Niet omdat hij dat niet wilde.

Omdat de ingang daarvoor was gemaakt.

Een smalle droge strook bleef tussen vloer en tuin liggen, alsof het gebouw zelfs nu nog wist waar buiten moest ophouden. Gjules stapte eroverheen en voelde meteen dat de lucht anders was. Zij ging onder zijn kraag zitten voordat hij er een gedachte over had. Zijn neus werd koud aan de binnenkant. Zijn rechterhand, die nog steeds niet wist wat zij moest doen, werd het eerst nat.

Maránne zat niet onder de overkapping.

Natuurlijk niet.

Zij zat op een lage stenen rand aan het einde van het pad, precies waar de regen niet werd tegengehouden. Haar voeten stonden op de natte grond. Zij had lichte schoenen aan die niet voor regen waren gemaakt. De rand van haar sokken had al kleur opgenomen. Haar haar lag donkerder tegen haar hoofd dan hij gewend was. Langs haar wang liep een spoor water dat op een traan leek en daarom geen traan kon zijn.

Zij keek niet op toen hij dichterbij kwam.

“Je bent laat,” zei ze.

“Ik weet het.”

“Dat geeft niet.”

Hij bleef staan.

De zin kwam te dicht bij de stem van Seelinnes moeder.

Maránne keek nu wel op.

“Wat?”

“Niets.”

Zij snoof.

De regen maakte dat geluid kleiner dan het bedoeld was.

“Je ruikt anders,” zei ze.

“Nat?”

“Nee.”

Hij wachtte.

“Leeg.”

Het woord kwam zonder gewicht.

Daarom had het gewicht.

Nore bleef bij de deur staan. Dicht genoeg om in te grijpen. Ver genoeg om niet mee te praten. Dat was waarschijnlijk de beste vorm van haar zorg. Of de minst slechte.

Gjules ging naast Maránne zitten.

Niet te dichtbij.

De steen was koud door zijn kleding heen. Niet meteen pijnlijk. Eerst alleen een verkeerde informatie in zijn bovenbeen. Daarna trok de kou omhoog, traag, alsof het lichaam eerst toestemming vroeg aan zichzelf.

Regen raakte zijn knie, zijn hand, de zijkant van zijn gezicht. Eerst voelde hij elke druppel afzonderlijk. Daarna werd het te veel om te tellen en begon zijn huid er één last van te maken.

“Heb je hem nog?” vroeg Maránne.

Daar was het.

Niet later.

Niet voorbereid.

Niet met een aanloop die hem een betere adem gaf.

Hij keek naar zijn handen.

De rechter lag op zijn bovenbeen. Open, dacht hij, en hield op.

“Nee,” zei hij.

Maránne knikte.

Heel klein.

Niet alsof zij het al wist.

Alsof zij nu wist waar zij moest beginnen.

“Waar is hij?”

“Materiaalterugname.”

Zij keek naar hem.

“Dat is een plek.”

“Ja.”

“Ik vroeg waar hij is.”

Hij kon niet antwoorden.

Dat was eerlijker dan de antwoorden die hij had.

Maránne keek weer naar de regen.

“Heb je hem gebroken?”

“Nee.”

“Weggegooid?”

“Nee.”

“Bewaard zonder hem te hebben?”

Hij ademde in.

De lucht was nat genoeg om hem kort te laten hoesten.

“Misschien.”

Zij glimlachte niet.

“Beter.”

“Niet goed?”

“Hou op met goed.”

Hij hield op.

Regen tikte op de steen tussen hen in. Niet regelmatig genoeg om muziek te worden. Niet onregelmatig genoeg om geen patroon te willen lijken. Hij dacht aan Brug 17 en duwde die gedachte weg voordat zij kinderen op deze natte rand kon leggen.

Maránne stak haar hand uit.

“Laat zien.”

Hij wist wat zij bedoelde.

Toch keek hij naar haar.

“Wat?”

“Niet dom doen.”

Hij legde zijn rechterhand tussen hen in, palm omhoog.

Er viel regen in.

Meer gebeurde er niet.

Zijn hand zag er vreemd uit zonder glas. Een hand was niet gemaakt om leeg te bewijzen. Lijnen, huid, kleine roodheid bij de knokkels, een halve maan bij zijn duimnagel. Water verzamelde zich even in zijn handpalm en liep daarna naar de laagste rand, tussen zijn vingers door, weg.

Maránne boog zich iets dichterbij.

Niet om hem te troosten.

Om te kijken.

“Hij wacht niet,” zei ze.

Hij keek naar de regen in zijn hand.

Zij zei verder niets.

Dat maakte het erger.

“Ben je boos?” vroeg hij.

“Ja.”

“Op mij?”

“Ook.”

Het ook was erger dan ja.

Zij veegde water uit haar ooghoek. Niet voorzichtig. Het werd alleen maar meer uitgesmeerd.

“Het was niet van mij,” zei hij.

“Nee.”

“Niet van jou.”

Ze antwoordde niet meteen.

Haar schouder trok op. Eén keer. De kou werkte nu zichtbaar aan haar.

“Nee,” zei ze toen.

Hij had verwacht dat het antwoord zou helpen.

Dat deed het niet.

Maránne hield haar eigen hand onder de regen. Niet naast de zijne. Niet erop. Apart. Het water liep over haar vingers sneller weg dan over de zijne, omdat zij haar hand schuin hield.

“Je had het mij kunnen vragen,” zei ze.

“Ja.”

“Waarom niet?”

“Omdat ik dan jouw antwoord had gebruikt.”

Zij keek hem nu aan.

Te helder.

Daar was hij bang voor geworden.

Niet voor haar helderheid, dacht hij.

Voor wat hij ermee deed.

“En?” vroeg ze.

“Ik weet het niet.”

“Eindelijk.”

Het woord kwam nors.

Nat.

Beter zo.

Hij keek naar Nore.

Nore keek naar de regen, alsof zij hun gesprek niet precies hoorde. Dat deed zij waarschijnlijk wel. Maar luisteren was niet altijd innemen. Dat wist hij nu niet meer zeker, en toch was hij haar er dankbaar voor.

“Het systeem weet nog bijna alles,” zei hij.

Maránne trok haar hand terug uit de regen.

“Daar vroeg ik niet naar.”

“Nee.”

“Zeg het dan niet wanneer ik naar je hand kijk.”

Hij knikte.

De regen maakte kleine donkere plekken op zijn broek. Sommige plekken raakten elkaar en werden groter. Andere bleven nog even apart. Er was geen goede reden waarom hij dat zag, behalve dat kijken soms de enige manier was om niet te praten.

Maránne haalde adem door haar neus.

Te kort.

Nore zette één stap.

Maránne stak zonder om te kijken haar hand op.

Niet hoog.

Genoeg.

Nore bleef staan.

“Je wordt koud,” zei Nore.

“Ja.”

“Dat is geen argument tegen mij.”

“Nee,” zei Maránne.

“Ook niet vóór jou.”

Maránne trok haar natte voet iets terug. Haar schoen maakte een klein geluid tegen de steen. Ze ergerde zich aan dat geluid, zag hij. Of aan haar voet. Of aan het feit dat voeten soms eerder gelijk hadden dan woorden.

“Drie minuten,” zei Nore.

“Zeg dat tegen de regen,” zei Maránne.

“Ik zeg het tegen je temperatuur.”

Maránne keek naar Gjules.

“Zie je? Zij is irritant omdat ze gelijk heeft.”

Nore zei niets.

Maar hij zag aan haar gezicht dat zij de zin had ontvangen en niet wist of zij hem mocht houden.

Maránne boog zich voorover en raakte met haar natte wijsvinger zijn handpalm aan.

Niet op een plek waar het glas had gelegen.

Er was geen plek.

Toch voelde het alsof zij precies die afwezigheid aanraakte.

Haar vinger was koud genoeg om zijn zin af te breken voordat hij wist welke zin het was.

“Je moet nu niet alles leeg maken,” zei ze.

Hij keek naar haar vinger.

Die was alweer weg.

“Dat was ik niet van plan.”

“Jawel.”

Hij wilde zich verdedigen.

Maar zijn hand was nog bezig met de kou van haar vinger.

“Niet alle dingen zijn van jou om los te laten,” zei ze.

Hij sloot zijn hand niet.

De regen viel verder in zijn palm.

“Jij ook niet,” zei hij.

“Vooral ik niet.”

Zij zei het snel.

Niet hard.

Eerder om te voorkomen dat hij er iets goeds van maakte.

Hij keek naar haar profiel. De regen maakte haar wimpers donkerder. Zij knipperde minder vaak dan prettig leek. Op haar wang liep opnieuw een spoor water, langs dezelfde route als eerder of net daarnaast. Het was onmogelijk om te weten of hetzelfde pad opnieuw werd gebruikt. Water had geen geheugen nodig om op elkaar te lijken.

“Ik wilde jou niet meenemen,” zei hij.

Maránne keek naar de natte grond.

“Je doet het toch.”

“Ja.”

“Met dingen. Zonder dingen. Met je gezicht.”

Hij liet zijn gezicht met rust.

Dat lukte niet helemaal.

“Je bent niet aardig vandaag,” zei hij.

“Ik ben nat.”

Dat was geen grap.

Of niet alleen.

Nore keek naar haar meetlint.

Of naar wat daarop stond.

“Nog twee minuten.”

Maránne zuchtte.

Niet dramatisch.

Nat.

“Zij telt met haar handen,” zei Maránne.

Nore keek op.

“Wat?”

“Niets.”

“Nee.”

Maránne glimlachte nu wel.

Heel kort.

Daarin zat iets van vroeger, dacht Gjules, en wist meteen dat hij dat niet kon weten. Zij was geboren in C. Hij ook. Vroeger was soms gewoon een woord dat mensen gebruikten wanneer iets in het heden niet paste.

“Wat doet regen met jullie?” vroeg Maránne.

“Met wie?”

“Met mensen die niet herstellen.”

“Nat maken.”

“Lieg niet zo dun.”

Hij keek naar zijn hand.

Water in.

Water weg.

“Hij maakt mijn huid dommer,” zei hij.

Maránne keek naar hem.

“Beter.”

“Dan eerst?”

“Ja.”

“Waarom?”

“Omdat dommer soms dichterbij is.”

Zij hoorde hoe dat klonk en trok een gezicht.

“Laat maar.”

“Nee,” zei hij.

“Jawel. Je gaat hem bewaren.”

Hij zweeg.

De regen werd iets harder.

Niet veel.

Net genoeg om de tuin anders te laten klinken. Bladeren bogen. Water liep in een smalle geul langs het pad. De steen onder hen werd donkerder. Maránnes schoenen waren nu zichtbaar te nat. Haar sokken trokken water omhoog bij de rand.

Nore kwam dichterbij.

“Nu naar binnen.”

Maránne keek niet op.

“Nog even.”

“Nee.”

Het woord viel anders uit Nore dan uit Maránne.

Minder kaal.

Meer gedragen.

“Je temperatuur daalt.”

“Laat hem.”

“Nee.”

“Waarom niet?”

“Omdat koud ook gewoon koud kan zijn.”

Maránne zweeg.

Dat antwoord had haar geraakt.

Niet diep misschien.

Maar precies.

Gjules stond op.

Zijn broek kleefde aan zijn knie. Zijn hand bleef nog even open naast zijn lichaam, totdat hij merkte dat hij haar zo liet voor Maránne. Toen liet hij haar gewoon hangen. Niet open. Niet gesloten. Nat.

Maránne stond niet meteen op.

Nore deed geen stap naar haar toe.

Dat was discipline.

“Als ik nu naar binnen ga,” zei Maránne, “dan is dat niet omdat jij gelijk hebt.”

“Nee,” zei Nore.

“Ook niet omdat ik ongelijk heb.”

“Nee.”

“Waarom dan?”

Nore keek haar aan.

“Omdat je lichaam niet hoeft te verliezen om te bewijzen dat je iets wilt.”

Maránne keek naar haar.

Daarna naar Gjules.

“Die zin is van haar,” zei ze.

“Ja,” zei hij.

“Jammer.”

Nore zuchtte bijna.

Niet helemaal.

Maránne stond op.

Te snel.

Haar hand ging naar de stenen rand. Gjules bewoog al, maar Nore was eerder. Niet met een groot gebaar. Alleen een hand bij haar elleboog, open genoeg om geweigerd te kunnen worden, dichtbij genoeg om vallen niet eerst bewijs te laten worden.

Maránne liet de hand toe.

Eén tel.

Daarna niet meer.

“Niet bewaren,” zei ze.

Tegen Nore.

Of tegen hem.

Of tegen de tuin.

“Wat?” vroeg Nore.

“Die tel.”

Nore keek naar haar hand, alsof de aanraking daar nog stond.

Zij knikte.

Deze keer zei zij niets.

Zij liepen terug naar de deur.

De droge strook bij de ingang was nog steeds droog. Dat werd ineens bijna aanstootgevend. Alsof het gebouw zelfs nu kon voorkomen dat regen te ver meeging. Maránne bleef vóór die strook staan.

“Daar,” zei ze.

Gjules keek.

“Wat?”

“Daar houdt het op.”

“De regen?”

“Voor jullie.”

Hij wist niet of zij met jullie hem en Nore bedoelde, of C, of iedereen die deuren maakte.

Zij stak haar hand uit naar de droge strook. Eén druppel viel van haar mouw op de vloer en bleef liggen. Niet lang. De vloer nam haar op zonder zichtbaar iets te doen.

Maránne keek ernaar.

“Zie je?”

“Ja.”

“Zelfs dat.”

Hij dacht dat zij boos zou worden.

Dat deed zij niet.

Zij leek alleen moe.

“Kom,” zei Nore.

Deze keer kwam Maránne.

Binnen was de lucht warmer.

Niet prettig.

Te snel begrijpelijk.

Een zachte droogstroom begon langs de zijkanten van de doorgang. Maránne trok haar schouders op.

“Niet,” zei ze.

Nore raakte het wandveld aan.

De droogstroom stopte.

Er verscheen een melding.

DROGING UITGESTELD
DUUR: 00:02:00
REDEN: BETROKKENE VERZOEKT RESTGEVOEL TE BEHOUDEN

Maránne staarde naar de regel.

Haar gezicht veranderde.

Niet veel.

Genoeg.

“Restgevoel,” zei ze.

Nore sloot haar ogen.

“Ik weet het.”

“Dat staat er echt.”

“Ja.”

“Alsof nat zijn afval is.”

“Ja.”

Gjules keek naar de natte plekken op haar mouwen.

Er druppelde water van haar haar op de vloer. De vloer wachtte heel even en nam het daarna toch op, zonder geluid. C kon uitstel toestaan. Niet eeuwig. Nooit eeuwig.

Maránne keek naar hem.

“Jij denkt dat leeg beter is omdat vol gebruikt wordt.”

Hij antwoordde niet.

Zij moest haar kaak heel even op elkaar zetten voordat ze verder sprak. Haar tanden raakten elkaar. Dat geluid was klein, maar hij hoorde het.

“Maar leeg wordt ook gebruikt zodra je er trots op wordt.”

“Ik ben niet trots.”

Zij keek naar hem.

Hij keek weg.

“Een beetje,” zei hij.

“Ja.”

Ze trok haar natte mouw recht.

“Sommige dingen moeten blijven omdat ze nog nat zijn.”

De zin hing tussen hen in.

Zij hoorde hem zelf ook.

“Bah,” zei ze.

Nore keek op.

“Wat?”

“Niets.”

Maar dat was niet waar.

Maránne veegde met de droge doek langs haar pols, één keer, en stopte.

“Laat nat,” zei ze toen.

Dat bleef beter staan.

Niet mooi.

Raar genoeg om van haar te zijn.

Nore gaf haar een droge doek.

Maránne nam hem aan en hield hem vast zonder zich af te drogen.

“Heb jij het aan Nore verteld?” vroeg ze.

“Wat?”

“Dat je hem niet meer hebt.”

“Nee.”

“Seelinne?”

“Zij was erbij.”

“Maar niet ik.”

“Nee.”

Dat bleef even staan.

Niet als beschuldiging alleen.

Als volgorde.

Hij had Seelinne erbij gehad. Het systeem erbij. De Board-taal erbij. Materiaalterugname. Contextgeschiedenis. Maar niet Maránne. Niet toen.

“Ik wilde niet dat jij het terug kon geven,” zei hij.

Maránne keek hem lang aan.

Niet scherp.

Niet helder.

Lang.

“Dat is waar,” zei ze.

Hij had liever gehad dat zij boos werd.

Misschien kwam dat nog.

“Ben je nu boos?” vroeg hij.

“Nee.”

Hij keek op.

“Later misschien.”

Hij zei niets.

Dat was beter.

“Nee,” zei ze. “Niet kijken alsof later ook een kamer is.”

Hij sloot zijn mond.

Nore nam een stap achteruit.

Misschien om hen ruimte te geven.

Misschien om zichzelf geen getuige te maken van iets dat niet in haar dienst paste.

Maránne wreef met de doek over haar pols. Eén keer. Niet verder.

“Je had gelijk dat je het niet vroeg,” zei ze.

Hij voelde opluchting.

Te snel.

Zij zag het.

“En je had ongelijk dat je het niet vroeg.”

De opluchting brak af.

Beter.

Hij vroeg niets.

De droogmelding verdween.

De wand gaf geen geluid.

DROGING HERVAT OVER 00:00:10

Maránne keek ernaar.

“Tien seconden,” zei ze.

Nore zei niets.

De droogstroom begon opnieuw.

Deze keer liet Maránne hem toe.

Niet omdat zij instemde.

Omdat haar haar langs haar hals koud genoeg was geworden om geen argument meer te zijn.

Gjules zag hoe de regen uit haar kleding werd gehaald. Niet helemaal. Voldoende. De donkere plekken werden lichter. Haar haar bleef nat bij de punten. Een druppel aan haar kin hield langer stand dan de rest en viel toen op haar shirt, waar hij onmiddellijk deel werd van een vage plek.

“Niet alles,” zei Maránne.

“Wat?”

“Ze krijgen niet alles droog.”

“Nee.”

“Gelukkig.”

Zij zei het zonder vreugde.

Maar ook niet zonder iets.

Daarna liep zij naar de herstelkamer.

Nore ging niet voor haar uit.

Dat viel hem op.

Zij liep half naast haar, half achter haar. Zorg in de vorm van afstand die nog kon springen.

Bij de deur bleef Maránne staan.

“Gjuul.”

Hij schrok van de naam.

Niet omdat zij hem lang niet had gezegd.

Omdat hij hem niet verdiende en toch kreeg.

“Ja.”

“Je hand.”

Hij stak hem uit.

Niet palm omhoog.

Gewoon.

Zij pakte hem niet.

Zij legde haar natte vingers tegen zijn knokkels.

Kort.

Geen handdruk.

Geen troost.

Geen vergeving.

Alleen temperatuur.

Hij wilde iets zeggen.

De kou van haar vingers was sneller.

Zijn hand trok een fractie terug voordat hij dat wilde.

Maránne zag het.

“Laat hem niet meteen iets anders worden,” zei ze.

De zin kwam zachter dan haar vorige zinnen.

Minder zeker.

Alsof zij hem niet helemaal af had.

Hij knikte niet.

Dat zou te netjes zijn.

Zij liet los.

Nore opende de deur.

Maránne ging naar binnen.

Niet langzaam.

Niet waardig.

Gewoon nat genoeg om moe te zijn.

De deur sloot niet meteen achter haar. Nore bleef in de opening staan.

“Ze vroeg gisteren al om regen,” zei Nore.

“Waarom zei u dat niet?”

“Omdat ik toen nog dacht dat het over regen ging.”

Hij keek naar haar.

Nore hield de doek in haar hand, hoewel Maránne hem niet had teruggegeven. Of misschien was dit een tweede doek. In C waren doeken beschikbaar genoeg om niet één doek te hoeven volgen.

“En nu?” vroeg hij.

Nore keek naar de gesloten tuin achter hem.

“Nu weet ik dat niet meer.”

Dat was een eerlijk antwoord.

Of gevaarlijk dicht erbij.

Zijn ring gaf een korte puls.

Hij had haar bijna genegeerd.

Niet als daad.

Als vermoeidheid.

Toen keek hij toch.

NEERSLAGBLOOTSTELLING AFGEROND
RESTGEVOEL: GEDEELTELIJK AANWEZIG
MATERIËLE DRAGER FOUT: NIET AANWEZIG
RELATIONELE RESPONS: NIET GESTABILISEERD

Daaronder stond geen advies.

Dat was nieuw genoeg om hem langer te laten kijken.

Nore zag het.

“Wat staat er?”

Hij liet het haar niet zien.

Niet om het te verbergen.

Omdat hij eerst zelf moest weten of hij het ging gebruiken.

“Geen advies,” zei hij.

“Dat is zeldzaam.”

“Ja.”

“Niet meteen goed noemen.”

“Nee.”

De ring pulseerde opnieuw.

Een tweede laag schoof onder de eerste.

AANVULLENDE ARCHIEFROUTE BESCHIKBAAR
AANLEIDING: NIET-GESTABILISEERDE NEERSLAGRESPONS
HERKOMSTLIJN: NIET-UNIFORM

Hij voelde de regen nog in zijn hand, al was zij bijna droog.

Niet-gestabiliseerde neerslagrespons.

Herkomstlijn niet-uniform.

De woorden hoorden niet bij Maránne.

Niet helemaal.

Ook niet bij hem.

Hij dacht aan de luistercel. Aan de fragmenten waarvan de herkomst niet één oorsprong had. Aan de oude wereld die te voorzichtig was weergegeven om de eerste te zijn. Aan regen die niet historisch rook omdat zij nu op zijn huid had gelegen.

Er verscheen een laatste regel.

MARKERING: 22B88

Nore werd heel stil.

Niet omdat zij het veld las.

Omdat zijn gezicht waarschijnlijk veranderde.

“Wat?” vroeg ze.

Hij wilde antwoorden.

Maar achter de deur zei Maránne iets.

Niet hard.

Niet bedoeld voor hem misschien.

“Niet waar,” zei ze.

Hij keek naar de deur.

Daarachter klonk haar stem opnieuw, zachter.

“Wanneer.”

De ring bleef stil.

De regen buiten viel door.

Niet harder.

Eerder.

Previous chapter

Chapter 16 · De Board-taal

Continue the book.

Next chapter

Chapter 18 · 22B88

Continue the book.