23C32 · Chapter 15 of 24

Seelinne kiest niet

Seelinne kreeg de keuze pas toen ze de contextkamer uit waren.

Dat maakte haar verdacht.

Niet de keuze.

De timing.

Zij liep nog naast hem. Niet snel. Niet langzaam. Alsof haar lichaam nog niet had besloten of het de oude wereld moest verlaten of alleen de kamer waarin zij getoond was. Achter hen was de deur zacht dichtgegaan, natuurlijk, zonder klik, zonder weerstand, zonder de kleine belediging van een mechaniek dat niet wist hoe hard het moest zijn. Voor hen lag de gang van het Register, helder en rustig, met mensen die niets hadden gezien en daarom minder leken te wegen.

Toen bleef Seelinne staan.

Niet plots.

Een halve pas te laat.

Haar rechterhand ging naar haar pols, maar raakte de ring niet aan. Zij hield de vingers erboven, alsof aanraken al een antwoord zou zijn.

Gjules zag het veld niet.

Dat was erger dan wanneer hij het wel had gezien.

“Wat is er?” vroeg hij.

Zij keek naar de gang.

Niet naar hem.

“Een keuze.”

Hij wachtte.

Dat was niet vanzelfsprekend. Hij voelde meteen hoe graag hij de rest wilde weten. Niet uit nieuwsgierigheid alleen. Uit zorg, dacht hij. Daarna dacht hij dat zorg soms het woord was dat nieuwsgierigheid gebruikte wanneer zij niet op tijd wilde schrikken van zichzelf.

“Van wie?” vroeg hij.

“Van mij.”

“Nu?”

“Dat is het punt.”

Zij haalde haar hand weg van haar pols en liet haar arm langs haar lichaam vallen. Het veld bleef voor haar zichtbaar. Voor hem niet. Het licht van de gang lag gewoon over haar gezicht. Niets aan haar werd gemarkeerd. Dat deed C goed. Persoonlijke belasting was zelden een openbaar verschijnsel. In C kon iemand midden in een gang door iets worden aangeraakt zonder dat de gang daardoor medeplichtig hoefde te worden.

“Je hoeft het niet te zeggen,” zei hij.

Zij keek naar hem.

“Dat is ook een manier om te vragen.”

Hij wilde zich verdedigen.

Hij deed het niet.

“Ja,” zei hij.

Dat hielp niet.

Maar het maakte minder kapot.

Seelinne keek weer naar haar ring.

“Het heeft mijn moeder herkend.”

Het woord bleef tussen hen staan.

Niet als geheim.

Als iets dat niet wist in welke kamer het hoorde.

Hij dacht aan de wachthal. Aan haar stem: mijn moeder zou dit fijner hebben gevonden. Niet de hal. De tweede versie. Hij had toen begrepen dat zij over vroeger sprak, of over zorg, of over de oude toon. Nu begreep hij dat C het ook had begrepen. Misschien beter. Misschien alleen sneller.

“Door wat je zei?” vroeg hij.

“Door wat ik niet alleen zei.”

Zij draaide haar pols iets, niet genoeg om hem te laten meekijken.

“FAMILIALE CONTEXTBELASTING HERKEND,” zei ze.

Haar stem maakte van de hoofdletters iets kleins.

“BETROKKENE: OUDERLIJKE BRON.”

Zij zweeg.

“Dat staat er zo?”

“Ja.”

“Ouderlijke bron.”

“Ja.”

Hij hoorde de woorden het al doen. Niet moeder. Niet vrouw. Niet iemand die bitter had gedronken tot bitterheid niet meer nodig mocht zijn. Bron. Iets waaruit context kwam. Iets wat je kon gebruiken zonder het te hoeven aankijken.

“Wat wil het?” vroeg hij.

“Plaatsing.”

“Waarin?”

“Daar gaat de keuze over.”

Zij liet de ring nu wel een fractie zien.

Niet aan hem.

Aan de lucht tussen hen.

Een smal veld werd zichtbaar. Hij keek niet meteen. Dat kostte moeite. Meer dan hij wilde.

Seelinne merkte het.

“Je mag lezen,” zei ze.

“Moet dat?”

“Nee.”

“Wil je dat?”

Zij gaf geen antwoord.

Dat was het eerste niet-kiezen.

Hij keek.

PERSOONLIJKE CONTEXTBELASTING
BRON: OUDERLIJKE CORRECTIE
AANLEIDING: HISTORISCHE HERKENNING IN OMGEVINGSFRAGMENT
VOORSTEL: CONTEXTUELE PLAATSING

KIES ÉÉN ROUTE:

  1. HISTORISCHE KOPPELING
  2. PERSOONLIJKE ONTLASTING
  3. NIET TAAKRELEVANT

Daaronder stond, kleiner:

KIEZEN VERLAAGT RESTBELASTING.

“Mooi,” zei Seelinne.

Het was geen bewondering.

“Drie manieren om mij kwijt te raken.”

Gjules las de opties opnieuw.

Historische koppeling.

Persoonlijke ontlasting.

Niet taakrelevant.

Hij begreep ze te snel.

Daarom vertrouwde hij het niet.

“Historisch,” zei zij. “Dan wordt ze bruikbaar voor iets groters.”

Hij knikte.

“Ontlasting,” zei ze. “Dan wordt ze alleen van mij.”

Weer knikte hij.

“En niet taakrelevant is gewoon liegen met goede manieren.”

Hij keek naar haar.

“En niets?”

Seelinne lachte kort.

Zonder geluid.

“Daar zijn we nu.”

Hij hoorde hoe bekend de ruimte werd die zij daarmee opende.

Niet kiezen.

Niet sluiten.

Later.

Beschikbaar.

Wat eerder een breuk was geweest, begon een vorm te krijgen. Dat maakte het niet minder waar. Misschien maakte het het alleen minder vrij.

Hij keek naar de gang. Iemand liep langs met een stapel flexibele platen tegen de borst. De platen bogen licht mee met elke pas. De medewerker keek niet op. Dat was geen onverschilligheid. De gang vroeg niets. Misschien was dat erger.

“Kun je het sluiten?” vroeg hij.

“Ja.”

“En dan?”

“Dan blijft het beschikbaar.”

Hij knikte.

Natuurlijk.

Alles bleef beschikbaar.

Niet als leven.

Als later.

Seelinne maakte het veld kleiner, maar niet weg.

“Ze hebben haar niet weggenomen,” zei ze.

Hij wist niet of hij moest antwoorden.

Zij zei het opnieuw, zachter.

“Dat is het probleem.”

Haar moeder leefde dus.

Of iets eenvoudigers dan leven was hier niet toegestaan.

“Wanneer heb je haar voor het laatst gesproken?” vroeg hij.

“Gisteren.”

Dat verraste hem.

Hij had een ouder verhaal verwacht. Iets afgesloten. Een verlies dat veilig genoeg was om te bespreken omdat het geen nieuwe zinnen meer maakte.

“Hoe ging dat?”

“Goed.”

Zij keek hem aan toen zij het zei.

Niet uitdagend.

Eerder moe van hoe groot een klein woord kon worden.

“Goed,” herhaalde hij.

“Ze vroeg of ik mijn warme ondersteuning had gehad.”

Hij kende de zin.

Niet van haar moeder.

Van Seelinne’s gezicht, de keren dat het bij koffie net niet sloot.

“En jij?”

“Ik zei ja.”

“Was dat waar?”

“Nee.”

Hij wachtte.

Deze keer niet netjes.

Echt.

“Of wel,” zei ze. “Ik weet niet meer wat warm betekent wanneer zij het vraagt.”

Het veld gaf een korte puls.

Niet dwingend.

Bijna verlegen.

AANVULLENDE PERSOONLIJKE LIJN BESCHIKBAAR
BRON: OUDERLIJKE CONTACTROUTINE
TIJDVENSTER: NU

Seelinne sloot haar ogen niet.

Dat zou te veel betekenis hebben gehad.

“Ze belt,” zei ze.

“Je hoeft niet...”

“Niet zeggen.”

Hij zweeg.

“Dat is erger als jij het zegt.”

“Waarom?”

“Omdat ik dan kan doen alsof ik het voor jou weiger.”

Hij voelde de zin raken en bleef staan.

Ze had gelijk.

Niet helemaal.

Genoeg.

De ring wachtte.

De persoonlijke lijn lichtte niet op zoals werkvelden dat deden. Er was geen rand van urgentie. Alleen een klein rond teken, warm van kleur, alsof het systeem wist dat familie nooit als melding mocht voelen, zelfs wanneer het precies dat was.

Seelinne raakte het teken aan.

Niet snel.

Niet langzaam.

“Seelinne,” zei een stem.

Haar moeder klonk niet oud.

Dat viel Gjules op en hij schaamde zich meteen. Alsof hij oudheid nodig had gehad om schade te herkennen. De stem was helder, afgerond, iets te rustig op de klinkers, maar niet leeg. Er zat adem in. Niet veel. Genoeg om iemand te kunnen missen die er nog was.

“Hallo,” zei Seelinne.

“Je bent laat vandaag.”

“Ik weet het.”

“Dat geeft niet.”

Het klonk alsof het wel gaf, maar niet mocht.

Of alsof geven zelf niet meer dezelfde vorm had.

Er viel een kleine stilte.

Niet ongemakkelijk.

Gemaakt misschien.

“Heb je je warme ondersteuning gehad?” vroeg haar moeder.

Seelinne keek niet naar Gjules.

“Nee,” zei ze.

Het woord stond meteen in de gang.

Te kaal.

De stem aan de andere kant wachtte een fractie te lang.

“Wil je dat ik even meeluister?”

Seelinne haalde adem.

Gjules hoorde hoe zij bijna ja zei.

Niet omdat zij dat wilde.

Omdat de stem het woord zo had neergelegd dat weigeren een onnodige hoek zou maken.

“Nee,” zei Seelinne opnieuw.

Deze keer zachter.

“Goed,” zei haar moeder.

Dat was het ergste antwoord.

Geen verdriet.

Geen vraag.

Geen kleine irritatie.

Goed.

“Heb jij koffie gedronken?” vroeg Seelinne.

Gjules keek naar haar.

Hij wist dat hij niet moest kijken en keek toch.

“Aan het begin van de middag,” zei haar moeder. “Met lichte zoetondersteuning.”

Seelinne sloot haar hand.

Niet haar ringhand.

De andere.

“Drink je het ooit nog bitter?”

De vraag was te groot voor wat zij vroeg.

De lijn bleef helder.

“Bitter is niet nodig voor contact,” zei haar moeder.

Daar was hij dan.

Niet als citaat.

Niet als bewijs.

Als kamer.

Seelinne’s mond ging een klein stukje open.

Niet om iets te zeggen.

Eerder alsof haar lichaam vergeten was welke kant adem op moest.

Haar duim schoof over haar wijsvinger, één keer, langzaam, zonder de huid te vinden waarnaar hij zocht. De ring gaf geen puls. Geen veld veranderde. De gang bleef op dezelfde sterkte verlicht.

Dat maakte het erger.

Seelinne knikte, hoewel haar moeder dat niet kon zien.

“Dat vroeg ik niet,” zei ze.

“Nee,” zei haar moeder.

De stilte werd nu echt.

Of echter.

“De plant staat scheef,” zei haar moeder toen.

Seelinne keek op.

“Welke plant?”

“De smalle. Bij het oude raam.”

“Je hebt geen oud raam.”

“Nee.”

Het bleef even hangen.

Haar moeder vervolgde niet.

Seelinne’s gezicht veranderde niet op een manier die de gang had kunnen lezen.

Maar haar schouder zakte een fractie, niet als ontspanning. Eerder alsof iets in haar heel even niet meer wist welke houding bij luisteren hoorde.

Gjules zag dat zij de zin ontving alsof iemand haar iets had gegeven en meteen vergeten was dat geven nog bestond.

“Groeit hij naar het licht?” vroeg Seelinne.

“Altijd,” zei haar moeder.

En toen, na een korte pauze:

“Ook als ik hem draai.”

Seelinne ademde uit.

Niet als opluchting.

Als verlies dat even geen richting had.

“Dat is irritant,” zei ze.

“Ja,” zei haar moeder.

Het woord had iets in zich.

Niet veel.

Genoeg om niet schoon te zijn.

Gjules dacht dat hij Seelinne nu even weg moest laten zijn van hem. Dat was onmogelijk, omdat hij er stond. Hij probeerde zijn gezicht minder aanwezig te maken. Dat was waarschijnlijk belachelijk.

“Je klinkt moe,” zei haar moeder.

“Dat ben ik.”

“Zal ik afronden?”

Seelinne lachte bijna.

“Vraag je dat aan mij?”

“Ja.”

“Waarom?”

“Omdat je anders boos wordt dat ik het voor je doe.”

De zin kwam te snel om alleen systeem te zijn.

Of te precies om alleen haar moeder te zijn.

Dat was het probleem.

Seelinne keek naar de ring.

Niet naar Gjules.

“Blijf nog even,” zei ze.

“Ik ben hier.”

“Ik bedoel niet nuttig.”

“Ik weet het.”

Weer stilte.

Deze was klein.

Bijna gewoon.

Misschien was dat waarom hij haar niet kon verdragen.

“Dag lief,” zei haar moeder uiteindelijk.

Het woord lief klonk niet vals genoeg om te verwerpen.

Niet waar genoeg om veilig te houden.

“Dag,” zei Seelinne.

Zij verbrak de lijn niet.

De lijn sloot zichzelf na drie tellen.

Niet te snel.

Niet te langzaam.

Zorgzaam.

Een nieuw veld verscheen.

CONTACT AFGEROND
RESTBELASTING: MATIG
AANBEVOLEN: CONTEXTUELE PLAATSING

Daaronder kwamen de drie routes terug.

Niet als nieuwe keuze.

Als echo.

HISTORISCHE KOPPELING
PERSOONLIJKE ONTLASTING
NIET TAAKRELEVANT

En kleiner:

KIEZEN VERLAAGT RESTBELASTING.

Alsof haar moeder niets had gezegd.

Of alsof alles wat zij had gezegd precies naar deze drie woorden leidde.

Seelinne liet haar arm zakken.

“Nu?” vroeg Gjules.

“Ja.”

“Wat wil jij?”

Zij keek hem aan.

Daar zat irritatie in.

Hij was er dankbaar voor.

Irritatie was tenminste niet rond.

“Dat weet ik niet.”

“Dan kies je niet.”

De zin was waar.

Hij hoorde ook hoe moe hij klonk.

Niet van haar.

Van de vorm.

“Dat klinkt alsof het een oplossing is,” zei ze.

“Nee.”

“Goed.”

Zij keek weer naar het veld.

“Als ik niet kies,” zei ze, “blijft ze overal een beetje.”

Dat was zacht.

Daarom wantrouwde zij het meteen.

“Dat klinkt beter dan het is,” zei ze.

“Waarom?”

“Omdat overal ook betekent dat ik haar overal kan gebruiken.”

Hij dacht aan Maránne.

Aan vergeving.

Aan een woord dat hij wilde poetsen door het vuil te laten.

“Ja,” zei hij.

Zij keek scherp naar hem.

Niet boos.

Niet lief.

“Niet van jou maken.”

Hij voelde zich betrapt vóór hij wist waarop.

“Dat deed ik niet.”

“Een beetje.”

Hij wilde weer antwoorden.

Niet doen werd iets wat zijn lichaam nog moest leren.

Seelinne keek naar de drie woorden.

De gang bleef rustig.

Twee medewerkers passeerden hen en weken iets uit zonder hun gesprek te onderbreken. Eén van hen lachte om iets wat klein genoeg was om niet in het geheugen te hoeven. De wereld kon veel verdragen zolang niemand vroeg wat er tegelijk gebeurde.

“Mijn moeder is niet alleen verlies,” zei Seelinne.

“Nee.”

“En niet alleen zorg.”

“Nee.”

“En niet alleen bewijs.”

“Nee.”

“En ik ben moe van dingen die alleen veilig worden als ze één ding mogen zijn.”

Het veld reageerde.

FORMULERING HERKEND
PERSOONLIJKE SAMENVATTING MOGELIJK

Seelinne keek ernaar.

Daarna naar Gjules.

“Zie je?”

Hij knikte.

“Zelfs dat.”

“Ja.”

“Zelfs wanneer ik het eindelijk niet verkeerd zeg.”

Dat was geen mooie zin.

Gelukkig.

“Juist dan,” zei hij.

Zij keek hem aan.

“Dat was bijna te bruikbaar.”

“Ja.”

“Laat hem dan daar.”

“Waar?”

“Hier. Zonder hem af te maken.”

Het veld bleef wachten.

KIEZEN VERLAAGT RESTBELASTING.

“Wat gebeurt er als je niets doet?” vroeg hij.

“Het zal opnieuw aanbieden.”

“Wanneer?”

Zij raakte de onderrand van het veld aan.

De extra regel werd zichtbaar.

BIJ UITBLIJVEN KEUZE: TIJDELIJKE OPENSTAND
HERBEOORDELING: 14 DAGEN
GEDEELDE CONTEXTDETECTIE: ACTIEF

Gjules voelde de laatste regel eerder dan de tweede.

Gedeelde contextdetectie.

Actief.

“Gedeelde context,” zei hij.

“Ja.”

“Omdat ik erbij sta.”

“Omdat jij erbij staat. Omdat ik jou heb laten lezen. Omdat mijn moeder jou heeft gehoord ademen misschien. Omdat C goed is in meervoud zonder nabijheid.”

“Wil je dat ik wegga?”

“Nee.”

Dat kwam te snel.

Daarna kwam de rest.

“Ja.”

Ze sloot haar ogen.

“Niet doen.”

Hij bleef.

Zij had drie antwoorden gekregen en geen ervan gekozen.

Misschien was dat eerlijker dan één.

Misschien was het ook wreder.

“Als ik wegga,” zei hij, “wordt het persoonlijk.”

“Ja.”

“Als ik blijf, wordt het gedeeld.”

“Ja.”

“En als ik vraag wat je wilt...”

“Dan maak je van mij de plek waar de keuze alsnog moet landen.”

Hij knikte.

“Dan vraag ik het niet.”

“Dat is ook een keuze.”

“Ja.”

“Voor jou.”

“Ja.”

Zij keek naar hem.

“Goed.”

Het woord bleef.

Niet warm.

Niet koud.

Alleen geplaatst.

Seelinne hief haar hand.

Voor één moment dacht hij dat zij een van de opties zou aanraken.

Zij deed het niet.

Zij plaatste haar hand plat over het veld.

Niet om het te bedienen.

Om het zicht te blokkeren.

Het licht kleurde kort langs haar vingers. De ring registreerde huid, druk, weerstand, geen selectie. Zij hield haar hand daar, stil. Niet lang. Lang genoeg voor het systeem om te weten dat aanraking niet altijd bediening was.

Toen liet zij los.

Het veld stond er nog.

Onveranderd.

KIEZEN VERLAAGT RESTBELASTING.

Seelinne draaide haar pols naar beneden.

Niet verbergen.

Niet sluiten.

Gewoon naar beneden.

De woorden verdwenen voor hem.

Voor haar waarschijnlijk niet.

“Seelinne,” zei hij.

Zij keek niet op.

“Niet als vraag,” zei hij.

Nu keek ze wel.

Hij wist niet waarom hij haar naam had gezegd. Misschien omdat hij iets moest doen dat geen hulp was en geen analyse. Misschien was een naam soms het enige wat nog niet meteen op een knop leek.

Zij ontving de naam.

Niet mooi.

Niet duidelijk.

Maar zij nam hem niet af.

“Gjules,” zei ze terug.

Zijn naam klonk anders wanneer zij hem niet gebruikte om iets te vragen.

Er kwam een kleine melding op zijn eigen ring.

Dat had hij niet verwacht.

GEDEELDE CONTEXT AANWEZIG
ONDERSTEUNING MOGELIJK
FORMULEER ROL

Hij keek ernaar.

Formuleer rol.

Natuurlijk.

Hij moest iets zijn.

Getuige.

Collega.

Ondersteuner.

Belaste derde.

Risicodrager.

Hij voelde hoe eenvoudig het zou zijn om een rol te kiezen. Niet omdat hij dat wilde. Omdat een rol minder onzeker was dan naast iemand staan die niet koos.

Seelinne zag zijn gezicht.

“Wat krijg jij?”

Hij liet het haar zien.

Zij las.

Haar mond werd even hard.

“Formuleer rol,” zei ze.

“Ja.”

“En?”

Hij keek naar de lege invoer.

Daarin lag een kleine vrijheid.

Of de vorm ervan.

Hij dacht aan niet dichtmaken.

Aan spel nog gaande.

Aan niet samenvoegen.

Aan woorden die weigering werden omdat C ze nog kon begrijpen als tijdelijke zorgvuldigheid.

Hij dacht aan Maránne.

Die fout.

“Geen,” zei hij.

“Dat accepteert het niet.”

“Nee.”

“Wat dan?”

Hij typte niet meteen.

Zijn duim hing boven het veld.

Zij keek niet weg.

Dat hielp niet.

Of juist.

Hij typte:

aanwezig

Het veld wachtte.

Geen correctie.

Geen suggestie.

Daarna:

ROL NIET VOLDOENDE SPECIFIEK
AANVULLING AANBEVOLEN

Hij voelde bijna opluchting.

Het systeem begreep het nog niet.

Of deed alsof.

Seelinne las mee.

“Niet aanvullen,” zei ze.

Hij keek naar haar.

“Dat is een keuze.”

“Ja.”

“Van jou?”

“Nu wel.”

Hij liet het veld open.

Zijn ring voelde zwaarder dan anders, al kon dat niet.

AANVULLING AANBEVOLEN bleef staan.

Niet dringend.

Niet kwaad.

Beschikbaar.

Seelinne begon weer te lopen.

Hij liep naast haar.

De gang nam hen op zonder moeite.

Aan hun linkerkant opende een deur naar een werkruimte. Iemand daarbinnen zei iets over planning en lachte daarna te zacht. Aan de rechterkant stond een waterpunt waar niemand was. De kleine geluiden van het Register lagen gelijkmatig over elkaar, alsof de dag voorzichtig was uitgespreid.

“Ze zei dat de plant scheef stond,” zei Seelinne.

“Ja.”

“Ze heeft geen oud raam.”

“Nee.”

“Maar misschien wel iets dat zij zo noemt.”

“Ja.”

“Of misschien is het resttaal.”

“Ja.”

“Of misschien gebruikte zij mij.”

Hij keek naar haar.

“Je moeder?”

“Of wat van haar over is. Of wat C van haar laat blijven. Of wat ik nodig heb om niet te kiezen.”

Zij zei het zonder drama.

Dat maakte het moeilijker.

“Wat denk jij?” vroeg hij.

Zij stopte niet.

“Dat ik vandaag niemand toestemming geef om dat verschil op te lossen.”

Hij knikte.

Geen goede zin terug.

Geen antwoord.

Geen bijna-troost.

Zijn ring gaf één zachte puls.

Hij keek niet.

Daarna nog één.

Seelinne keek naar zijn pols.

“Niet kijken,” zei ze.

Hij keek toch.

Het veld had de regel aangevuld zonder hem:

AANWEZIG
STATUS: ONVOLDOENDE
BLIJFT BESCHIKBAAR

Hij liet het staan.

Niet omdat hij trots was.

Omdat hij niet wist hoe je iets moest verbeteren zonder het armer te maken.

Aan het einde van de gang lag een strook daglicht over de vloer. Niet echt daglicht, waarschijnlijk. Of wel, via geleide oppervlakken, spiegels, ramen die de buitenlucht niet volledig binnenlieten maar haar voldoende vorm gaven om haar geen leugen te noemen. Seelinne stapte erdoorheen.

Even leek haar schaduw ouder dan zij.

Dat was een vreemde gedachte.

Hij hield haar niet vast.

Zij vroeg daar niet om.

Bij de volgende deur bleef ze staan.

Niet om naar binnen te gaan.

Alleen omdat haar ring opnieuw pulseerde.

Zij keek er niet naar.

“Het vraagt nog steeds,” zei Gjules.

“Ja.”

“Ga je kiezen?”

“Niet nu.”

“Over veertien dagen?”

“Misschien.”

“En als het dan voor jou kiest?”

Zij keek naar de deur.

Daarin stond hun weerspiegeling heel flauw, genoeg om lichamen te herkennen, niet genoeg voor gezichten.

“Dan weet ik tenminste wat het van mij wilde.”

“Dat is gevaarlijk.”

“Ja.”

“Dat weet je.”

“Ja.”

Hij wilde zeggen dat weten niet genoeg was.

Hij zei het niet.

Zij had vandaag genoeg zinnen gekregen die bijna wilden helpen.

Seelinne legde haar hand op de deurplaat.

De deur opende.

Daarachter lag geen bijzondere ruimte.

Alleen een kleinere gang, stiller, met aan het einde een rustvlak waar medewerkers soms stonden zonder iets te doen. Niet alles in C was direct taak. Dat was ook waar. Sommige rust was echt. Sommige stilte was gewoon stilte. Het probleem was dat hij dat steeds minder vaak kon weten zonder het te wantrouwen.

“Kom je?” vroeg ze.

Niet zacht.

Niet hard.

Geen verzoek dat zich als keuze vermomde.

Gewoon een vraag.

Hij stapte mee.

Achter hen sloot de deur.

Zijn ring pulseerde nog één keer.

AANVULLING AANBEVOLEN.

Hij liet haar ongelezen.

Seelinne liep naast hem.

Zij had niet gekozen.

Hij had geen rol gekozen.

C had beide open laten staan.

Dat leek even op vrijheid.

Tot hij merkte hoe netjes het werd bewaard.

Previous chapter

Chapter 14 · De wereld vóór gladheid

Continue the book.

Next chapter

Chapter 16 · De Board-taal

Continue the book.