23C32 · Chapter 12 of 24

Het oude woord

Het oude woord lag op papier.

Dat was het eerste wat Gjules wantrouwde.

Papier bestond nog. Natuurlijk bestond het nog. Er waren altijd redenen geweest om sommige dingen aan te raken voordat ze verdwenen: motoriek, rouw, herstel, kindertaal, feestdagen, oude mensen die hun handschrift wilden blijven herkennen zolang hun hand nog van hen was. C had papier niet verboden. Verbieden was zelden nodig. Papier was alleen steeds minder een plaats geworden waar iets begon.

Dit papier lag op een tafel in een kleine materiaalruimte achter de bezoekgangen van Herstelhuis C-West. De ruimte was te praktisch om zacht te zijn. Aan één wand stonden lage kasten met tastobjecten, schrijfvellen, vormkaarten, draadlussen, oefenstenen, geurdoosjes zonder namen. De stoelen waren stapelbaar en stonden net niet recht tegen elkaar, met metalen poten die bij de kleinste verschuiving een droog geluid maakten op de vloer. Er hing een geur die nergens officieel voor bedoeld was: karton, schoon kunststof, oude vingers in houten bakken, iets stoffigs dat niet vuil genoeg was om verwijderd te worden. Het licht had minder meningen dan in de kamers. Dat maakte het niet vrij. Alleen minder ijverig.

De tafel zelf was van een materiaal dat hout nadeed zonder het te willen zijn. Niet mooi. Niet lelijk. Het blad was koel, glad op afstand, maar onder zijn vingers, toen hij later dichterbij kwam, net korrelig genoeg om te laten merken dat gladheid ook een textuur kon hebben. Aan de rand zat een kleine beschadiging, een doffe plek waar de bovenlaag was geraakt en niet volledig was hersteld. Waarschijnlijk omdat materiaalruimtes schade mochten hebben zolang schade het herstelwerk niet verstoorde.

Nore stond aan de andere kant van de tafel.

Zij had hem niet via zijn veld gevraagd te komen.

Of wel, maar niet zoals anders.

Er was alleen een korte melding geweest, zonder categorie.

Wanneer u nog in de buurt bent.

Geen tijd.

Geen reden.

Geen vervolg.

Hij had de melding drie keer gelezen voordat hij begreep dat zij hem waarschijnlijk juist daarom had geschreven.

Seelinne was bij hem gebleven.

Niet omdat hij dat had gevraagd. Niet omdat zij dat niet had gedaan. Er waren keuzes die pas keuze werden wanneer iemand er later een zin omheen zette. Zij stond naast de kast met vormkaarten en hield haar handen voor zich, alsof haar lichaam nog steeds verwachtte dat daar een beker was en het uit beleefdheid niets zei over het ontbreken ervan. Haar duim gleed één keer over haar lege handpalm. Daarna hield zij daarmee op, alsof zij de beweging zelf had betrapt.

“Dit is van Maránne,” zei Nore.

Zij wees niet naar het papier.

Zij keek er ook niet naar.

Dat was vreemd voorzichtig.

Gjules bleef staan.

“Moet ik het lezen?”

Nore antwoordde niet meteen.

“Ze zei eerst van wel.”

“En daarna?”

“Daarna zei ze nee.”

Seelinne keek naar Nore.

“En daarna?”

Nore wreef met haar duim langs de rand van de tafel. De beweging was klein en te regelmatig. Iets in haar had blijkbaar behoefte aan een rand die niets teruggaf.

“Daarna zei ze dat ik het verschil moest laten bestaan.”

Gjules keek naar het papier.

Het lag met de beschreven kant naar boven. Dat was ook een keuze. Nore had het niet omgedraaid om hem te beschermen tegen iets wat al in de kamer lag.

Er stonden drie regels op.

Niet recht.

Niet netjes.

vergeving

niet vandaag

niet schoon

Hij las ze.

Daarna las hij ze niet opnieuw.

Dat probeerde hij tenminste.

Het woord had zich al aan hem gehecht voordat hij kon beslissen of hij het wilde kennen. Vergeving. Het stond daar zonder veld, zonder definitie, zonder aanbevolen vervolg. Toch voelde hij onmiddellijk hoe de ruimte in hem begon te zoeken naar een toepassing. Een oude deur misschien. Een nieuwe. Iets waardoor de fout zachter werd zonder dat hij haar kwijt hoefde. Iets waardoor Maránne hem niet vrijsprak, maar toch een vorm gaf waarin zijn schuld minder onhandig in zijn lichaam stond.

Hij schaamde zich voor de snelheid van die hoop.

Zij kwam nog vóór verdriet.

Dat was het beschamende. Niet dat hij hoopte, maar dat hoop zo snel op zoek ging naar vorm. Alsof iets in hem al vóór zijn aandacht had begrepen dat dit woord bruikbaar zou kunnen worden als hij het maar voorzichtig genoeg aanraakte. Hij zag zichzelf al doen wat hij niet wilde doen: het woord niet opeisen, natuurlijk niet, niet grof, niet zichtbaar, maar er een plaats voor maken in zijn eigen lijden, een plaats die oud genoeg was om minder zelfzuchtig te lijken. Hij zou het niet schoon noemen. Hij zou zeggen dat hij het vuil wilde laten. En zelfs dat zou een manier kunnen zijn om het te poetsen.

“Ze heeft het niet aan u gegeven,” zei Nore.

Hij keek op.

“Wat?”

“Dat zei ze.”

“Dat ik het niet krijg?”

“Dat het niet hetzelfde is als krijgen.”

Seelinne bewoog, nauwelijks.

Alsof zij de zin wilde vasthouden en zich herinnerde dat vasthouden soms meenemen was.

Gjules keek weer naar het papier.

“Waarom laat je het me dan zien?”

Nore ademde uit.

Deze keer zonder haar adem te verbeteren.

“Omdat ze ook zei dat ik het niet mocht verbergen.”

Ergens in de materiaalruimte tikte iets. Niet elektronisch. Een kast die uitzetting had onthouden, of een klein voorwerp dat in zijn bakje terugviel nadat de lucht een fractie was verschoven. Het geluid was te gewoon om betekenis te dragen. Dat maakte het welkom.

“Ze schreef het na uw bezoek,” zei Nore. “Niet meteen. Eerst sliep ze. Daarna vroeg ze om papier.”

“Waarom?”

“Omdat ze haar veld niet wilde.”

“Mocht dat?”

“Ja.”

Het antwoord kwam te snel.

Nore hoorde het zelf.

“Het mag,” zei ze opnieuw, langzamer. “Binnen herstelwerk.”

“En dit is herstelwerk?”

“Dat weet ik niet.”

Daar stond de zin.

Zij maakte er geen mooie zin van.

Niemand raakte haar aan.

De materiaalruimte leek even praktischer te worden door dat niet-weten. De kastdeuren, de bakken, de stoelen, het papier, alles bleef wat het was, zonder extra zachtheid. In een behandelkamer zou het niet-weten onmiddellijk iets om zich heen hebben gekregen: een pauze, een kleur, een aanbeveling, misschien een kleine herformulering die het draaglijker maakte. Hier lag het op tafel tussen een drukstift en een doosje oefenstenen. Dat maakte het niet minder gevaarlijk, maar wel minder verwend.

Gjules merkte dat hij zijn hand naar zijn binnenzak wilde brengen. Niet om het glasplaatje te voelen. Niet precies. Eerder omdat zijn lichaam dacht dat alles wat met schuld te maken had inmiddels daar moest worden vastgezet. Hij liet zijn hand hangen.

Seelinne zag het.

Zij zei niets.

Dat hielp meer dan wanneer zij hem had gespaard.

“Wat betekent het?” vroeg hij.

Nore keek eindelijk naar het papier.

“Ik hoopte dat u dat niet zou vragen.”

Hij glimlachte niet.

“Dat deed ik wel.”

“Ja.”

“Wat betekent het voor haar?”

“Dat vroeg ik.”

“En?”

“Ze zei dat ik dan bezig was met het verkeerde woord.”

Gjules voelde kort irritatie.

Niet op Nore.

Niet op Maránne.

Op de mogelijkheid dat zelfs dit weer een raadsel werd dat hij netjes moest leren dragen.

“Dat klinkt als haar,” zei hij.

“Ja.”

“En dat is vermoeiend.”

Nore keek op.

Het was eruit voordat hij het had kunnen gladmaken. Hij wachtte op zijn eigen correctie, op een sorry, op een verzachtende aanvulling. Die kwam niet. Of hij liet haar niet komen. Dat verschil was moeilijk te vertrouwen.

Nore knikte.

“Ja.”

Seelinne liet haar hand zakken langs haar been.

“Goed,” zei ze zacht.

Hij keek naar haar.

“Wat?”

“Dat je dat zei.”

“Het is niet aardig.”

“Nee.”

“Het is ook niet helemaal waar.”

“Dat hoeft niet meteen.”

Hij wilde vragen wat dan wel.

Hij deed het niet.

Er lag een woord op tafel dat te oud was om meteen door een betere vraag te worden opgehaald.

vergeving

niet vandaag

niet schoon

Hij kende het woord niet zoals hij schuld kende. Schuld kende hij als stand, last, restbelasting, persoonlijke lijn, ritme in het lichaam na een goed besluit dat niet rustte. Schuld was in C bruikbaar omdat zij bleef. Zij hield mensen voorzichtig. Zij maakte hen benaderbaar voor ondersteuning. Schuld kon niet altijd worden opgelost, maar zij kon worden gedragen, gemonitord, verlicht, uitgesmeerd over dagen waarin iemand niet te veel alleen was.

Vergeving had een ander gewicht.

Het had geen goede rand.

Het klonk alsof iemand iets gaf wat de ander niet kon nemen zonder het te veranderen.

En misschien was dat precies waarom het woord bijna uit de actieve taal was verdwenen. Niet omdat het te oud was, niet alleen, en ook niet omdat mensen te verstandig waren geworden om oude woorden nodig te hebben. Maar omdat het woord zich slecht liet plaatsen. Het vroeg niet om herstel en niet om straf. Het hoorde niet bij verantwoordelijkheid, niet goed bij schadebeperking, niet goed bij relationele continuïteit. Wie schuld droeg, bleef in beweging rond een centrum dat C kon volgen. Wie vergeving ontving, als dat al ontvangen heette, werd ergens anders neergezet zonder duidelijke meetlijn terug. Dat was onhandig. Misschien zelfs onrechtvaardig. Misschien was dat het punt.

“Is het een oud woord?” vroeg hij.

Nore schoof het papier niet naar hem toe.

“Ja.”

“Uit actieve taal?”

“Nee.”

“Uit hersteltaal?”

“Nee.”

“Religieus?”

“Ook.”

“Juridisch?”

“Soms.”

“Familiaal?”

“Vaak.”

Hij hoorde hoe de categorieën kleiner werden dan het woord.

Nore ook.

“Sorry,” zei zij.

Tegen hem.

Niet tegen de tafel.

“Waarom?”

“Omdat ik het al aan het opruimen ben.”

Dat was waar.

Ze hadden allemaal naar bakjes gegrepen. Taalbakjes, gebruiksbakjes, tijdvakken waarin een woord veilig kon liggen omdat het niet meer hoefde te bewegen. Zelfs de materiaalruimte deed eraan mee, met haar lage kasten en haar nette sortering van dingen die mochten worden aangeraakt zolang iemand wist waarom. Alles had een vak. Tastobjecten. Schrijfvellen. Vormkaarten. Draadlussen. Oefenstenen. Geurdoosjes zonder namen. Misschien was een naamloos geurdoosje ook een manier om iets op te ruimen. Misschien mocht zelfs geur alleen bestaan wanneer hij geen herinnering werd.

Seelinne kwam dichterbij.

Niet helemaal tot aan de tafel.

“Mijn moeder gebruikte soms oude woorden na de tweede correctie,” zei ze. “Niet deze.”

Gjules keek niet naar haar.

Dat was makkelijker voor haar.

“Welke?”

“Onhandige. Zegen. Zonde. Dingen die ze niet meer goed in een zin kreeg. Ze klonken bij haar alsof ze op de verkeerde plank waren blijven liggen.”

“En na de derde?”

“Toen gebruikte ze alleen woorden die goed stonden waar ze stonden.”

Nore keek naar Seelinne.

“Was dat beter?”

Seelinne lachte eenmaal.

Kort.

Niet leuk.

“Dat is geen eerlijk woord meer.”

Niemand antwoordde.

Dat was verstandig, of laf, of eindelijk een beetje normaal.

Gjules keek naar de drie regels.

“Waarom niet schoon?”

Nore zei: “Ze werd boos op het papier.”

“Op het papier?”

“Op zichzelf, denk ik. Maar het papier lag dichterbij.”

Seelinne boog iets naar voren.

“Waarmee schreef ze?”

“Met een drukstift. Ze koos die zelf.”

“Waarom?”

“Omdat inkt te mooi bleef.”

Dat was zo Maránne dat Gjules bijna lachte.

Het gebeurde niet.

Zijn keel liet alleen een beetje lucht los.

Nore zag het en keek meteen weg.

Daar was ze goed in, soms. Niet alles wat zij zag, gebruikte zij.

“Ze schreef eerst alleen het woord,” zei Nore. “Daarna keek ze er lang naar. Toen schreef ze niet vandaag. Daarna heeft ze het papier omgedraaid, weer teruggedraaid, en niet schoon erbij gezet.”

“Zei ze iets?”

“Ja.”

Nore’s hand lag nu plat op tafel.

Niet op het papier.

Ernaast.

“Ze zei: anders gaat hij het poetsen.”

Gjules sloot zijn ogen.

Daar was ze.

Niet als stem in zijn hoofd.

Niet als patiënt.

Als zijn zus, irritant precies over een fout die hij nog niet gemaakt had en waarschijnlijk al wel aan het voorbereiden was.

Hij opende zijn ogen.

“Ik wil het poetsen,” zei hij.

“Ja,” zei Seelinne.

Hij keek naar haar.

“Dat was snel.”

“Sorry.”

“Niet doen.”

“Goed.”

“Ook niet.”

Ze beet op haar onderlip.

Gewoon.

Kort.

Menselijk genoeg om de kamer iets minder gelijk te maken.

“Ik bedoel,” zei ze, “ik zag het aan je gezicht.”

“Hoe dan?”

“Alsof je eindelijk een woord kreeg dat oud genoeg was om je schuld eerbaar te maken.”

Hij voelde de zin binnenkomen.

Deze keer werd hij boos.

Niet groot.

Maar echt.

“Dat is veel,” zei hij.

“Ja.”

“Misschien te veel.”

“Ja.”

“Dan moet je het niet zeggen alsof je het al weet.”

Seelinne knikte.

Hij zag dat hij haar had geraakt.

Niet kapot.

Wel geraakt.

Een deel van hem wilde onmiddellijk terug, haar herstellen, zichzelf verbeteren, zorgen dat zijn boosheid niet als oud gedrag in de ruimte bleef staan. Hij deed het niet. Hij liet de zin bij haar, voor zover een zin ooit bij iemand kon blijven zonder door anderen te worden gebruikt.

Nore keek van de een naar de ander.

Niet als begeleider.

Of niet alleen.

“Dit is waarom ik twijfelde,” zei zij.

“Om ons?”

“Om wat het woord doet voordat iemand het gebruikt.”

Gjules keek naar het papier.

vergeving

Het woord had nog niets gedaan.

Dat was niet waar.

Het had hem al verplaatst.

Hij stond niet meer op dezelfde plek in zichzelf als vóór hij het gelezen had. Misschien was dat onvermijdelijk. Misschien was dat precies waarom woorden gevaarlijk waren, ook oude, ook onbruikbare. Een woord hoefde geen veld te hebben om iemand te verschuiven. Het hoefde alleen maar een plaats te vinden waar iemand al openstond.

“Kan het geregistreerd worden?” vroeg hij.

Nore keek naar de deur.

Niet omdat daar iemand stond.

Omdat deuren in Herstelhuis C-West nooit helemaal alleen deur waren.

“Alles kan geregistreerd worden.”

“Is het geregistreerd?”

“Niet als semantische inhoud.”

“Als wat dan?”

“Motorisch restmateriaal.”

Hij keek naar haar.

“Nore.”

“Ik weet het.”

“Nee.”

Zij keek terug.

Hij dacht aan haar eigen zin, terug in de lichtkamer.

Je gebruikt het nu om mij sneller weg te zetten dan ik jou mag wegzetten.

Hij gebruikte haar niet.

Hij hoopte van niet.

“Zeg het niet als oplossing,” zei hij.

Zij hield zijn blik vast.

Toen knikte ze.

“Goed.”

Ze corrigeerde zichzelf niet.

Dat was misschien beter.

Nee.

Niet beter.

Gewoon minder glad.

Seelinne keek naar het papier, daarna naar Nore.

“Als het motorisch restmateriaal is,” zei ze, “wat wordt er dan bewaard?”

Nore antwoordde te snel.

“De handeling.”

“En niet het woord.”

“Lager,” zei Nore. “Niet niet.”

“Maar de handeling is van haar lichaam.”

Nore begreep haar niet meteen.

Of zij wilde haar niet begrijpen.

“Ja.”

“Dus je hebt het woord lager gezet door haar lichaam hoger te zetten.”

De stilte daarna was kort.

Niet dramatisch.

Er viel niets.

Maar Nore trok haar hand van de tafel alsof zij pas toen merkte waar die lag.

“Ik dacht aan het woord,” zei ze.

“Ja,” zei Seelinne.

“Ik dacht dat ik dat beschermde.”

“Dat deed je misschien ook.”

Nore keek naar Gjules.

Niet om vrijspraak.

Niet helemaal.

“Maar ik heb haar hand beschikbaar gemaakt.”

Niemand verbeterde haar.

Daar lag de blinde plek.

Niet in haar zorgeloosheid.

Juist in haar zorg.

Zij had het oude woord willen beschermen tegen semantische hulp en had daarvoor Maránnes lichaam als route gebruikt. Druk. Motoriek. Rest. Herstelmateriaal. Het was klein genoeg om administratief onschuldig te blijven, en groot genoeg om iets van Maránne opnieuw in een bakje te leggen. Niet als betekenis, dan als beweging. Niet als woord, dan als hand.

“Kan dat anders?” vroeg Gjules.

“Ik weet het niet,” zei Nore.

Dat antwoord kwam niet snel.

Dat was iets.

“Als ik het semantisch laat staan,” zei ze, “komt het hoger. Als ik het motorisch laat staan, blijft het lager. Als ik het niet laat staan, bestaat het administratief niet, en dat is ook een keuze die ergens zichtbaar wordt.”

“Dus alles is slecht.”

“Nee,” zei Nore.

Daar hoorde een zin achteraan te komen.

Die kwam niet.

Ze keek naar de bak met oefenstenen, alsof daar misschien een minder beschadigend antwoord in lag.

“Niet alles,” zei ze uiteindelijk. “Maar niets is schoon.”

Het woord kwam terug zonder dat iemand het wilde.

Schoon.

Ze keken alle drie niet naar de derde regel.

Dat deden zij juist daardoor wel.

“Wat was het echt?” vroeg Seelinne.

Nore streek met haar duim over de tafelrand.

“Een leugen die ruimte maakte.”

Dat antwoord was niet mooi.

Of het wilde dat niet zijn.

Daarom bleef het staan.

“Voor wie?” vroeg Gjules.

“Voor haar. Voor mij. Misschien voor u.”

“En voor het systeem?”

“Ook.”

Nore zei het zonder zichzelf te sparen.

Dat was het verschil met zekerheid.

“Als ik het als motoriek laat staan, blijft de semantiek lager. Niet weg. Lager. Het is een manier om het woord niet meteen te laten helpen.”

“Maar je helpt haar ermee.”

“Ja.”

“En ons.”

“Ja.”

“En C.”

“Ja.”

Niemand zei iets.

In die stilte zat geen oplossing.

Alleen het ongemak dat niemand eruit kon stappen zonder ergens te gaan staan.

Gjules dacht aan de rustband-vrouw.

Sorry.

Tegen de band.

Of tegen de gang.

Hij dacht aan zijn eigen ring, nu donker, maar aanwezig als metaal en gewoonte. Hij kon het papier in zijn binnenzak steken. Hij kon het woord bewaren. Hij kon het meenemen naar zijn werkveld, niet door het te scannen maar door het precies genoeg te onthouden om er later iets van te maken. Hij kon het oude woord gebruiken tegen Apollo’s beleefdheid, tegen zorgcontinuïteit, tegen zijn schuld. Hij kon het eindelijk tot kern maken, tot sleutel, tot bewijs dat onder C nog iets lag wat niet volledig leesbaar was.

Hij wilde dat allemaal.

Dat was helder.

Misschien was dat het nuttigste van het woord.

Niet wat het betekende.

Wat hij ermee wilde doen.

“Ze zei dat ik het niet kreeg,” zei hij.

Nore knikte.

“Ja.”

“Dan moet het terug.”

Nore raakte het papier niet aan.

“Naar haar?”

“Waar zij wil.”

“Ze wilde dat ik het verschil liet bestaan.”

“Dan moet je het misschien niet oplossen.”

Seelinne keek naar hem.

Hij hoorde zelf hoe de zin klonk.

Te goed.

Te bruikbaar.

Hij legde zijn hand plat op tafel.

Niet op het papier.

Op het koude stuk ernaast.

De kou van het blad kwam niet naar hem toe zoals buitenlucht dat deed. Zij bleef plat. Zijn handpalm gaf warmte af en het materiaal nam die aan zonder warmer te lijken. Onder zijn huid werd de rand van de tafel langzaam duidelijker: de kleine beschadiging, de harde lijn waar het blad ophield, het dunne stof dat zich tegen de rand had verzameld en door geen enkel veld werd opgemerkt omdat stof in materiaalruimtes waarschijnlijk bij materiaal hoorde. Hij voelde hoe zijn warmte niet terugkwam. Zij verdween ook niet echt. Zij werd verdeeld over iets dat geen lichaam was en geen herinnering nodig had om haar kwijt te raken.

Hij liet zijn hand liggen tot het ongemakkelijk werd.

Niet als offer.

Niet als oefening.

Alleen omdat hij wilde voelen hoe snel aanraken in deze kamer iets werd dat de kamer kon verdragen.

“Dat was een zin die ik wilde houden,” zei hij.

“Ja,” zei Seelinne.

“Laat maar vallen.”

Ze deed deze keer niets met haar hand.

Geen gebaar.

Geen charmante herhaling.

Ze liet de zin gewoon zonder opvang op tafel liggen.

Dat was onaangenaam.

Dat was goed.

Nore keek naar het papier.

“Ze vroeg ook iets anders.”

Gjules voelde hoe zijn lichaam zich voorbereidde.

“Wat?”

“Niet of u het kende.”

“Wat dan?”

“Of u het zou vragen.”

Hij had het antwoord sneller dan hij wilde.

Ja.

Hij zou het willen vragen.

Niet hardop misschien. Niet vandaag. Niet in zo’n simpele vorm. Maar ergens in hem had de vraag zich al opgericht zodra hij het woord had gezien. Vergeef je mij. Geef mij iets waardoor ik niet meer alleen met mijn nee hoef te zijn. Geef mij iets dat geen systeemzin is en toch draagt.

Hij zei niets.

“Ze zei erbij,” zei Nore, “dat u moest weten dat zij het antwoord niet had.”

Dat maakte het erger.

Niet omdat het wreed was.

Omdat het eerlijk was zonder nuttig te worden.

“Niet vandaag?” vroeg hij.

Nore keek naar de tweede regel.

“Misschien.”

“Of nooit.”

“Ook.”

Hij voelde Seelinne naast zich stil worden.

Niet op haar bedachtzame manier.

Gewoon stil.

Hij was haar daar dankbaar voor en wilde dat niet maken tot iets moois.

“Dan vraag ik het niet,” zei hij.

Nore keek hem aan.

“Ook niet aan uzelf?”

Hij wilde geïrriteerd raken.

Dat lukte niet.

“Dat weet ik niet.”

“Dat klinkt eerlijk.”

Hij keek naar haar.

Zij haalde kort haar schouders op.

“Dat was geen goede zin. Alleen een vermoeide.”

“Laat staan,” zei hij.

En deze keer bedoelde hij niet: bewaar haar.

Hij bedoelde: maak haar niet beter.

Buiten de materiaalruimte klonk een zachte stap. Iemand liep voorbij, bleef niet staan, liep verder. De deur wist dat waarschijnlijk. De vloer wist het ook. Misschien wist de hele gang het. Weten was in C geen gebeurtenis meer, maar een klimaat. Je leefde erin zoals mensen vroeger misschien in rook hadden geleefd, of stof, of zon.

Nore pakte het papier op.

Heel voorzichtig.

Niet omdat het kostbaar was.

Omdat voorzichtigheid soms het enige was wat overbleef als niemand wist welke handeling niet meewerkte.

“Wat doe je ermee?” vroeg Seelinne.

“Ik breng het terug.”

“Naar Maránne?”

“Naar de map met materiaal van vandaag.”

Gjules keek op.

Nore hield zijn blik vast.

“Niet haar dossier,” zei ze.

“Maar wel een map.”

“Ja.”

“En die map?”

“Wordt morgen opnieuw bekeken.”

“Door jou?”

“Waarschijnlijk.”

“En anders?”

“Dan niet door mij.”

Het was geen dreiging.

Daarom werkte het.

Hij wilde zeggen dat ze het moest vernietigen. Hij wilde zeggen dat ze het moest bewaren. Hij wilde zeggen dat er een derde manier moest zijn die zuiverder was dan allebei. Hij hoorde al hoe elk van die zinnen zichzelf zou aanbieden als daad, keuze, positie. Hij had geen zin meer die niet meteen iets wilde worden.

“Mag ik nog één keer kijken?” vroeg hij.

Nore liet het papier op haar hand liggen.

Niet op tafel.

Niet in zijn hand.

Hij boog zich iets naar voren.

vergeving

niet vandaag

niet schoon

Hij keek tot hij merkte dat hij begon te onthouden hoe de v van vergeving iets te diep in het papier stond. Toen keek hij weg.

“Genoeg?” vroeg Nore.

“Nee.”

Zij knikte.

En vouwde het papier dicht.

Dat was misschien het vriendelijkste wat zij had kunnen doen.

Hij nam het woord niet mee.

Dat was niet waar.

Hij nam het papier niet mee.

Dat moest voorlopig genoeg zijn, al was genoeg opnieuw zo’n woord dat te snel op een open plek ging liggen.

Seelinne liep met hem naar de deur.

Nore bleef achter bij de tafel. Zij legde het gevouwen papier niet meteen weg. Een ogenblik stond zij daar met het vel in haar hand, en Gjules zag dat ook zij de neiging had het nog één keer open te vouwen. Niet uit controle. Niet uit zorg. Uit hetzelfde gewone verlangen waarmee mensen naar een wond kijken die zij net hebben afgedekt.

Zij deed het niet.

Dat was geen overwinning.

Maar het was wel iets wat niet meteen een betere vorm kreeg.

In de gang bleef Gjules staan.

Niet lang.

Lang genoeg om te voelen dat Seelinne naast hem ook niet meteen verder liep.

“Wat was het woord?” vroeg zij.

Hij keek naar haar.

Zij had het gezien.

Zij vroeg niet naar informatie.

Dat maakte de vraag moeilijker.

“Te groot,” zei hij.

“Ja.”

“Te oud.”

“Ja.”

“Niet van mij.”

Seelinne knikte.

Daarna zei zij niets.

Geen goede zin.

Geen twijfel over de herkomst ervan.

Geen gebaar om iets te laten vallen.

Gewoon niets.

Het niets voelde niet vrij.

Het voelde ook niet veilig.

Maar het vroeg even niet om toepassing.

Samen liepen zij terug naar het Register.

Aan zijn hand bleef de ring donker.

In zijn binnenzak lag het glasplaatje.

In Nore’s hand lag het papier.

In Maránnes kamer lag misschien slaap, misschien boosheid, misschien alleen een lichaam dat moe genoeg was om even niet helder te hoeven zijn.

Het oude woord hielp niet.

Daarom bleef het.

Previous chapter

Chapter 11 · Apollo’s beleefdheid

Continue the book.

Next chapter

Chapter 13 · Synchronized Sound Systems

Continue the book.