23C32 · Chapter 10 of 24

Maránne spreekt te helder

Maránne zat niet in de stoel.

Dat was het eerste.

Niet de kamer, niet de zachte wand, niet Nore die bij de ingang stond met haar handen zichtbaar en haar veld gesloten, niet de geur van iets lauws dat misschien bedoeld was om te lijken op thee. Maránne zat op de vloer, met haar rug tegen de zijkant van het bed en haar knieën opgetrokken alsof zij een plaats had gekozen die niet voor haar gemaakt was en haar lichaam daar juist daarom even beter paste.

Ze droeg sokken.

Eén donker, één licht.

Dat mocht waarschijnlijk niet. Of het mocht wel, maar alleen omdat niemand er een reden van had gemaakt. De lichte sok had bij de hiel een dunne vouw die haar huid moest irriteren. Zij trok er niet aan. Haar rechterhand lag om haar enkel, niet om steun te zoeken, eerder om de enkel te laten weten dat hij bij haar hoorde.

“Gjuul,” zei ze.

Zijn naam kwam zonder vertraging.

Niet vrolijk.

Niet ziek.

Gewoon.

Daardoor kwam hij harder aan dan wanneer zij hem had gefluisterd.

“Maránne.”

“Je ruikt naar buiten.”

Nore bewoog niet.

Gjules bleef bij de deur staan. De kamer was warmer dan Brug 17, maar zijn lichaam geloofde dat nog niet. De kou zat in zijn kraag, in de rand van zijn mouwen, in de huid rond zijn ring. Onder de brug had de lucht hem vastgepakt zonder toestemming. Hier probeerde de kamer hem los te maken.

Hij merkte dat hij één adem te lang vasthield.

Niet omdat hij bang was.

Omdat de adem nog van buiten was.

Toen hij uitademde, kwam er geen damp. De lucht verdween zonder spoor, opgenomen door een kamer die wist hoe zij een lichaam moest helpen vergeten waar het net was geweest. Hij voelde de warmte tegen zijn hals komen, zacht, gelijkmatig, bijna geduldig. Dat maakte haar bijna onaangenamer dan kou.

“Beton,” zei Maránne.

Hij keek naar haar.

“Wat?”

“Je ruikt naar beton.”

“Dat kan niet.”

“Dat zeg je altijd wanneer iets kan.”

Zij zei het niet als verwijt. Ze zei het alsof zij een kleine regel teruglegde op een plek waar hij hem vergeten was.

Nore sloot de deur achter hem. Niet hard. De kamer werd niet stiller, alleen vollediger. In het Herstelhuis was stilte nooit helemaal stilte. Er zat altijd iets in: luchtregeling, zachte voetdruk in de gang, een veld dat op de achtergrond klaarstond om zorg te worden wanneer iemand te scherp bewoog.

“Ze heeft een heldere ochtend,” zei Nore.

Maránne trok haar mond scheef.

“Dat zeggen ze als ik zinnen afmaak.”

“Dat zeg ik omdat het klopt,” zei Nore.

“Dat zeggen ze ook als iets niet klopt.”

Gjules had haar gemist.

Niet als herinnering.

Niet als schuld.

Als dit.

De manier waarop zij een zin kon laten kantelen zonder hem groter te maken. De manier waarop zij niet verhief wat zij zei, maar het juist lager legde, dicht bij de vloer, alsof waarheid soms beter bleef liggen wanneer niemand haar oppakte.

Hij deed een stap de kamer in.

“Mag ik zitten?”

Maránne keek naar de stoel.

“Daar?”

“Of op de vloer.”

“Je broek wordt vies.”

“Dat overleef ik.”

“Dat weet je niet.”

“Waarschijnlijk wel.”

“Dat is beter.”

Hij ging niet direct naast haar zitten. Dat had hij willen doen, en juist daarom deed hij het niet. Hij koos de vloer bij het voeteneinde van het bed, dichtbij genoeg om niet formeel te zijn, ver genoeg om haar lichaam geen keuze op te dringen. De vloer was warm. Niet aangenaam warm. Correct warm. Hij miste plotseling het koude beton onder de brug en schaamde zich daarvoor, alsof hij de kinderen meenam naar een kamer waar zij niet gevraagd hadden te komen.

Nore bleef bij de ingang.

“Wil je dat ik blijf?” vroeg zij aan Maránne.

Maránne keek naar haar sokken.

“Als je weggaat, schrijf je toch.”

“Ook als ik blijf.”

“Dan blijf maar. Dan hoor je tenminste wat je schrijft.”

Nore nam dat aan zonder zichtbaar te reageren. Dat was iets wat Gjules aan haar begon te herkennen: zij kon geraakt worden zonder het onmiddellijk te gebruiken. Niet altijd. Maar soms.

“Je hebt geantwoord,” zei Maránne.

“Ja.”

“Ik weet het.”

“Nore heeft het gezegd?”

“Nee.”

“Dan?”

“Mijn lichaam werd minder boos.”

Hij liet de zin niet meteen in een betekenis vallen.

Dat hielp.

Maránne trok de lichte sok iets omhoog. Te laat. De vouw had al een rode streep in haar hiel gemaakt.

“Je schreef weinig,” zei ze.

“Ja.”

“Dat was goed.”

“Dat weet je niet.”

“Jawel.”

Hij ademde uit.

Daar was ze weer, op het randje waar helderheid en onverdraaglijkheid elkaar raakten.

Maránne glimlachte niet.

“Niet omdat het juist was,” zei ze.

Hij voelde Seelinne in de kamer zonder dat zij er was. Haar stem, haar grens, zijn irritatie daartegen. Het was vreemd hoe woorden van iemand anders in je konden staan zonder dat je ze had gevraagd mee te komen.

“Waarom dan?” vroeg hij.

“Omdat ik niet om je uitleg vroeg.”

Nore keek naar beneden, naar haar gesloten veld.

Of misschien naar haar handen.

Maránne merkte het.

“Zie je?” zei ze.

“Wat?” vroeg Gjules.

“Nu wordt het helder.”

Nore hief haar hoofd.

“Helder is niet slecht.”

“Nee,” zei Maránne. “Slecht is makkelijker.”

De zin kwam te snel en te goed.

Gjules voelde onmiddellijk de verleiding om haar te bewaren. Niet haar. De zin. Het verschil was kleiner dan hij wilde. Onder de brug had een kind hem gezien voordat hij zichzelf helemaal had gezien. Alsof je iets wilt meenemen. Hij voelde dezelfde beweging nu: zijn aandacht die zich sloot rond wat Maránne zei, zijn geheugen dat er al een plaats voor maakte, zijn angst die deed alsof bewaren hetzelfde was als liefhebben.

Hij keek naar haar handen.

Niet naar de zin.

Haar nagel van de linkerduim was te kort. Afgebeten of bijgevijld. Er zat een droog plekje naast de nagelriem. Zij drukte er met haar andere duim op, liet los, drukte opnieuw.

“Je doet het,” zei ze.

Hij verstijfde.

“Wat?”

“Kijken alsof je netjes bent.”

Hij lachte bijna.

Niet omdat het grappig was.

Omdat het pijnlijk precies was en toch klein genoeg om van haar te zijn.

“Ik probeer niet te veel mee te nemen,” zei hij.

Maránne liet haar hoofd tegen het bed rusten.

“Dat is iets anders dan blijven.”

“Ja.”

“Weet je het verschil?”

“Nee.”

“Goed.”

Nore liep naar de wand en tikte daar niet op. Dat was zo duidelijk geen handeling dat het een handeling werd. De wand lichtte niet op. Nore liet haar vingers zakken.

“Maránne,” zei ze, “we hadden afgesproken dat we vandaag niet alles tegelijk hoeven.”

“Dat is een goede zin,” zei Maránne.

Nore zweeg.

“Sorry,” zei Maránne.

“Dat hoeft niet.”

“Dat weet ik.”

“Waarom zeg je het dan?”

“Omdat ik je niet wil verliezen voordat ik klaar ben met boos zijn.”

Nore keek haar aan.

Niet als behandelaar.

Niet helemaal.

Gjules zag het gebeuren en voelde zich ongepast aanwezig. Alsof hij in een kamer zat waar twee andere mensen al langer met elkaar leefden dan hij had willen erkennen. Nore was niet alleen zorg. Niet alleen kooi. Zij was ook iemand aan wie Maránne boos mocht worden omdat zij terug zou komen. Dat maakte haar gevaarlijker en beter tegelijk.

“Je verliest me niet door boos te zijn,” zei Nore.

“Dat weet je niet.”

“Nee.”

“Zeg het dan niet alsof je het wel weet.”

De kamer bleef rustig.

Geen waarschuwing.

Geen lichtlijn.

Geen zichtbare overgang.

Juist dat maakte het spannender. In C hoefde spanning niet zichtbaar te worden om verwerkt te worden. Soms was het systeem het meest aanwezig wanneer het niets deed.

Gjules schoof zijn hand iets over de vloer. De warmte bleef gelijk. De vloer reageerde niet op zijn ongemak, of deed dat zo subtiel dat hij het niet merkte. Onder Brug 17 had beton gewoon beton gedaan. Hier deed alles alsof het niets deed.

Maránne keek naar zijn hand.

“Heb je hem bij je?”

Hij wist dat zij het glasplaatje bedoelde.

Of hij dacht dat.

“Ja.”

“Nee.”

Hij zweeg.

Ze trok haar knieën iets dichter naar zich toe.

“Niet het ding.”

“Wat dan?”

“De fout.”

Hij wilde zeggen dat dat hetzelfde was.

Hij deed het niet.

“Misschien,” zei hij.

“Dat is beter dan nee.”

“Waarom vroeg je dat?”

“Omdat dingen afgegeven kunnen worden.”

Hij voelde zijn hand naar zijn binnenzak willen gaan.

Hij liet haar liggen.

“En fouten niet?”

“Fouten ook,” zei Maránne. “Maar meestal aan de verkeerde mensen.”

Nore ademde hoorbaar in.

Niet veel.

Genoeg.

“Dit is zo’n moment,” zei Maránne.

“Wat voor moment?” vroeg Gjules.

“Waarop iemand gaat helpen.”

Nore zei niets.

Gjules ook niet.

“Je ziet het aan hun adem,” zei Maránne. “Ze halen adem alsof ze eerst nog mens zijn en daarna pas functie. Dat duurt heel kort.”

Nore sloot haar ogen een tel.

Toen opende zij ze weer.

“Je bent heel helder,” zei ze.

Maránne glimlachte nu wel.

Daarin zat niets vrolijks.

“Ja.”

“Dat bedoel ik niet als waarschuwing.”

“Nee,” zei Maránne. “Dat is het probleem.”

De wand achter haar werd een fractie lichter.

Niet veel.

Genoeg om de randen van het bed zachter te maken.

Nore zag het.

Gjules zag dat Nore het zag.

Maránne keek niet om.

“Als ik rommel praat,” zei ze, “blijven jullie bij me.”

“Dat is niet waar,” zei Nore.

“Als ik huil, blijven jullie ook.”

“Ja.”

“Als ik dingen zeg die niet kloppen, blijven jullie en vragen jullie waar het pijn doet.”

Nore bewoog haar hand.

Niet naar de wand.

Naar zichzelf.

“Maar als ik precies ben,” zei Maránne, “dan gaan jullie zachter praten.”

De kamer werd te warm.

Niet in temperatuur.

In bedoeling.

Gjules voelde zijn ring niet trillen, maar hij werd zich bewust van de ring alsof iemand zijn hand had genoemd. Nore stond stil. Haar gesloten veld bleef gesloten. Dat werd ineens belangrijk.

“Wij praten zachter om je niet te belasten,” zei zij.

“Ik weet het.”

“Dat is soms nodig.”

“Ik weet het.”

“Je zegt het alsof het altijd fout is.”

Maránne keek naar haar sokken.

De lichte zat nog steeds niet goed.

“Omdat ik bang ben dat ik anders ga zeggen dat het soms goed is.”

Daar was geen scherpte in.

Dat was het ergste.

De zin kwam niet als inzicht. Hij kwam als iets dat zij liever niet had gevonden en nu toch in haar handen hield. Haar duim gleed opnieuw naar de rode streep bij haar hiel, maar deze keer drukte ze er niet op. Zij legde haar vinger ernaast, alsof aanraken genoeg was en pijn toevoegen niet nodig.

Nore zei niets.

Gjules ook niet.

Heel even leek de helderheid niet op doorzien, maar op iemand die zich schrap zette tegen een deur die misschien niet helemaal dicht moest blijven.

“Maránne,” zei Gjules.

“Ja.”

“Ben je moe?”

“Ja.”

“Wil je stoppen?”

“Nee.”

“Waarom niet?”

“Omdat ik straks misschien rustiger ben.”

Hij voelde het antwoord als kou.

Niet onder de huid.

Dieper.

Nore zette één stap naar voren.

“Rustiger is niet hetzelfde als minder waar.”

Maránne keek haar aan.

“Dat is een zin voor jullie.”

“Misschien.”

“Niet alleen.”

“Nee,” zei Nore. “Niet alleen.”

Daar was het.

Niet overwinning.

Niet bekentenis.

Een kleine opening waarin Nore niet deed alsof zorg geen taal had.

Maránne liet haar hoofd weer tegen het bed zakken.

“Beter is niet altijd diefstal,” zei Nore.

De zin kwam niet uit het systeem.

Dat voelde Gjules, al wist hij niet hoe.

Maránne ook.

Zij sloot haar ogen.

“Ik weet het.”

“Dat moet ook blijven staan.”

“Ja.”

“Ook als je boos bent.”

“Ja.”

De stilte daarna was anders. Niet veiliger. Eerlijker misschien, of minder goed afgerond. Gjules wilde iets zeggen, maar merkte dat hij opnieuw naar de plek zocht waar een zin nuttig kon zijn. Hij liet haar voorbijgaan.

Maránne opende haar ogen.

“Je kwam niet alleen voor mij,” zei ze.

Daar was hij.

Niet als verwijt.

Als deur.

Hij keek naar haar.

“Nee.”

“Dat was te snel.”

“Ja.”

“Je hebt iets anders bij je.”

“Geen ding.”

“Dat vroeg ik niet.”

Hij dacht aan Brug 17. Aan de kinderen. Aan de koude lucht in zijn keel. Aan Lio die even zweeg omdat een ander kind iets te precies had gezegd. Aan het meisje dat hem had gezien als iemand die iets wilde meenemen. Aan Seelinne naast hem, niet achter hem, niet voor hem. Aan het veld dat blind werd voor zichzelf en de lucht die groter werd, niet vrij, groter.

“Er waren kinderen,” zei hij.

Maránne bleef stil.

Nore ook.

Hij had niet verwacht dat stilte zo snel kon voelen als toestemming en val tegelijk.

“Onder een brug,” zei hij.

Hij stopte.

Niet omdat hij het niet kon uitleggen.

Omdat hij dat wel kon.

De volledige lijn stond in hem klaar: nachtlog, cadans, laag risico, akoestische spreiding, terug, uitstel, Seelinne, bewijsdrang. Hij kon van de kinderen alsnog een verslag maken. Hij kon hun spel door de kamer dragen alsof het van hem was geworden doordat hij voorzichtig was geweest.

“Meer niet?” vroeg Maránne.

“Meer wel,” zei hij. “Maar niet van mij.”

Ze knikte langzaam.

“Dat is moeilijker.”

“Ja.”

“Heb je iets meegenomen?”

Hij wilde nee zeggen.

Hij kon het niet.

“Ja.”

“Wat?”

“Dat ik iets wilde meenemen.”

Maránne glimlachte.

Dit keer wel een beetje.

“Dat mag.”

“Waarom?”

“Omdat je het niet leuk vindt.”

Hij keek naar Nore.

Niet om hulp.

Meer om te weten of zij dezelfde zin had gehoord.

Nore had haar blik op Maránne gericht, maar haar gezicht stond niet dicht. Dat was al iets.

“Een kind zei het,” zei Gjules.

“Wat?”

“Alsof ik iets wilde meenemen.”

Maránne lachte zacht.

Het geluid brak halverwege af omdat haar lichaam er minder lucht voor had dan zij dacht.

“Dat is een gemeen kind.”

“Misschien.”

“Goede kinderen zijn soms gemeen.”

“Ja.”

“Volwassenen ook, maar die noemen het zorg.”

Nore maakte een beweging met haar mond alsof zij iets wilde zeggen en het niet deed.

Maránne zag het.

“Dat was te makkelijk,” zei ze.

“Ja,” zei Nore.

“Laat maar staan.”

“Nee,” zei Nore.

Maránne keek verbaasd.

Gjules ook.

“Dat laat ik niet zomaar staan,” zei Nore. “Zorg kan ook zorg zijn.”

“Ik weet het.”

“Nee,” zei Nore.

Het woord was niet hard, maar het had geen zachte rand.

“Nee?” vroeg Maránne.

“Nee. Je zegt dat je het weet, maar je gebruikt het nu om mij sneller weg te zetten dan ik jou mag wegzetten.”

Maránne’s mond bleef een fractie open.

Daarna sloot ze hem.

“Dat is niet hetzelfde.”

“Dat klopt,” zei Nore. “Maar het lijkt genoeg op elkaar om gevaarlijk te zijn.”

Gjules voelde iets in de kamer verschuiven, en voor het eerst wist hij zeker dat het niet de wand was. Het was Maránne. Niet veel. Haar schouder zakte, niet ontspanning, eerder verlies van een houding die te lang rechtop had gestaan.

“Je hebt gelijk,” zei ze.

“Niet helemaal.”

“Dat is aardig van je.”

“Dat ook niet.”

Maránne keek naar haar.

Toen knikte ze.

“Goed.”

Het woord klonk klein.

Niet als toestemming.

Als erkenning dat Nore geen wand was waartegen zij onbeperkt kon praten zonder terugslag. Dat was misschien ook zorg. Niet alles opvangen. Niet alles laten staan.

“Maar zorg kan ook iets meenemen,” zei Maránne.

“Ja,” zei Nore.

“En het teruggeven alsof het beter past.”

Nore antwoordde niet.

Dat hoefde misschien niet.

De wand achter het bed verschoof opnieuw. Iets in de kamer koos voor een zachter licht. Niet genoeg om ingrijpen te heten. Genoeg om de randen van hun gezichten minder scherp te maken.

Maránne keek naar de wand.

“Niet doen,” zei ze.

De wand bleef wat zij was geworden.

“Maránne,” zei Nore.

“Nee.”

Het woord was gewoon.

Daarom werd het gevaarlijk.

Geen extra materiaal.

Geen gebroken adem.

Alleen nee.

Gjules voelde hoe de kamer daarop geen passende houding vond. Of misschien verbeeldde hij zich dat. Misschien was hij inmiddels zo hongerig naar weerstand dat hij haar zag waar alleen vertraging was. Toch merkte hij dat Nore haar veld opende.

Niet helemaal.

Alleen laag.

Hij zag geen inhoud.

Alleen licht.

Maránne zag het ook.

“Daar,” zei ze.

“Dit is mijn werk,” zei Nore.

“Dat weet ik.”

“Ik moet bewaken wat dit met je doet.”

“En met jullie.”

“Ja.”

“Zeg dat dan.”

Nore liet haar hand boven het veld hangen.

Zij typte niet.

De ruimte leek te wachten op haar keuze zonder druk uit te oefenen. Dat was het ergste aan zulke ruimtes. Zij vroegen niets. Zij boden alleen voortdurend de mogelijkheid om redelijk te zijn.

“Dit doet ook iets met ons,” zei Nore.

Haar stem was zachter dan eerder.

Niet systeemzacht.

Moe.

Maránne knikte.

“Beter.”

Gjules had het gevoel dat hij naar iets keek wat groter was dan zijn bezoek en kleiner dan een gebeurtenis. Een behandelaar die één zin anders zei. Een zus die op een vloer zat en een wand aansprak. Een kamer die alles hoorde zonder te hoeven reageren. Soms waren breuken niet luid omdat luidheid hen te gemakkelijk herkenbaar maakte.

“Wat wil je dat ik doe?” vroeg hij.

Maránne keek naar hem.

“Nu?”

“Ja.”

“Niets.”

Dat antwoord had hij gevreesd.

“Later?”

“Ook bijna niets.”

“Bijna?”

“Als ik straks beter klink,” zei ze, “en minder bedoel, moet je niet blij zijn zonder te rouwen.”

Nore sloot haar veld.

Niet abrupt.

Wel zichtbaar.

Gjules hoorde de zin in zichzelf vallen en wilde haar onmiddellijk vasthouden. Dit keer wachtte hij. Niet lang genoeg om haar te verliezen. Lang genoeg om te merken dat zij hem gegeven was.

“Mag ik dat onthouden?” vroeg hij.

Maránne keek alsof hij eindelijk de goede fout had gemaakt.

“Ja.”

“Niet als bewijs.”

“Nee.”

“Als wat dan?”

“Als van mij.”

Hij knikte.

Zijn keel deed pijn.

Niet van kou nu.

“Dat geef ik je wel,” zei ze.

Hij boog zijn hoofd.

Niet diep.

Net genoeg om de zin niet recht aan te kijken alsof hij haar al bezat.

Nore stond bij de wand met gesloten veld. Haar gezicht was bleker dan bij binnenkomst. Of het licht maakte haar bleker. In C was het verschil soms niet meer te vertrouwen.

“Dat is belastend,” zei zij.

“Voor wie?” vroeg Maránne.

“Voor hem.”

“Ja.”

“Voor mij.”

Maránne keek naar haar.

“Ja.”

“Voor jou.”

Maránne liet haar hoofd tegen het bed zakken.

“Ook.”

“Dan moet ik iets registreren.”

“Schrijf dat dan.”

Nore opende haar veld opnieuw.

Een smalle laag licht verscheen, laag bij haar hand. Geen volledig dossier. Geen interventieveld. Alleen tekst. Gjules kon niet lezen wat zij schreef. Dat was goed. Daarna draaide Nore haar hand iets, genoeg om hen beiden de regel te laten zien.

GESPREK HELDER.
DUIDING UITGESTELD.
REDEN: DOOR BETROKKENE BETWIST.

Maránne las langzaam.

“Betrokkene,” zei ze.

“Dat ben jij,” zei Nore.

“Vreselijk woord.”

“Ja.”

“Maar betwist is goed.”

“Ja.”

Gjules zag dat Nore haar hand niet helemaal stil hield. Een trilling, klein genoeg om geen melding te worden. Of misschien was er al een melding en zagen zij die niet. Nore verzond de regel niet meteen.

“Als je dat schrijft,” zei Gjules, “blijft het open.”

“Ja.”

“Mag dat?”

“Vandaag wel.”

“Waarom vandaag?”

Nore keek naar Maránne.

Daarna naar hem.

“Omdat ze helder is.”

Maránne lachte niet.

Zij huilde ook niet.

Zij zat op de vloer met twee verschillende sokken, een rode streep op haar hiel, haar hand om haar enkel, en even leek zij niet dunner of groter dan een mens in een kamer.

“Zie je,” zei ze.

“Wat?” vroeg Gjules.

“Dat helderheid alleen veilig is zolang iemand anders haar nog durft uit te stellen.”

Nore verzond de regel.

Het veld trok zich terug.

Geen alarm.

Geen bevestiging die op opluchting leek.

Alleen een kleine wijziging in de kamer, alsof iets wat had kunnen sluiten een stukje open bleef en de ruimte daar niet voor gemaakt was.

Maránne sloot haar ogen.

“Nu ben ik moe.”

Nore kwam dichterbij.

“Wil je naar de stoel?”

“Nee.”

“Bed?”

“Nee.”

“Vloer?”

“Vloer.”

“Goed.”

“Niet goed,” zei Maránne, zonder haar ogen te openen. “Vloer.”

Nore bleef staan.

Toen knikte zij.

“Vloer.”

Gjules bleef zitten waar hij zat.

Hij had nog steeds zijn jas aan. De kou van Brug 17 was bijna uit hem weg, maar niet helemaal. Ergens bij zijn kraag bleef een strook buitenlucht hangen die de kamer niet kreeg opgewarmd. Hij was daar dankbaar voor en wist niet of dat eerlijk was.

Maránne opende één oog.

“Gjuul.”

“Ja.”

“Als je de fout nog hebt.”

“Ja.”

“Niet oppoetsen.”

Hij glimlachte niet.

“Dat weet ik niet hoe.”

“Jawel.”

“Misschien.”

“Niet leren dan.”

Haar oog sloot weer.

Nore keek naar hem, en in haar blik lag geen vraag om antwoord. Dat was zeldzaam. Misschien was zij te moe om te vragen. Misschien had zij besloten dat sommige antwoorden niet beter werden van uitnodiging.

In de gang bewoog iemand voorbij. Een zachte stap, vertraagd door vloeren die niet wilden dat haast zich verspreidde.

Maránne ademde.

Nore wachtte.

Gjules zat op de warme vloer en voelde hoe moeilijk het was om niets te doen zonder er een deugd van te maken.

Aan de wand bleef geen regel zichtbaar.

Toch wist hij dat ergens nu stond:

DUIDING UITGESTELD.

Niet omdat iets onduidelijk was.

Omdat het te helder was geweest om veilig dicht te maken.

Previous chapter

Chapter 09 · Het lied onder de brug

Continue the book.

Next chapter

Chapter 11 · Apollo’s beleefdheid

Continue the book.