Nore liep hem voor zonder haast.
Dat had hij nu al begrepen van het Herstelhuis. Haast hoorde bij systemen die te laat kwamen, en dit gebouw wilde nergens te laat voor lijken. Niet voor angst. Niet voor verdriet. Niet voor de kleine breuk in iemands adem voordat een woord te groot werd.
“Eerst even met mij,” had ze gezegd.
Hij had “Oké” gezegd.
Daarna had niemand hem gecorrigeerd.
Dat bleef te lang bij hem.
Ze liepen door een lage gang met waterlicht op de vloer. Aan de wand groeide groen dat waarschijnlijk nooit aarde had aangeraakt. Geen ontvangstbalie. Geen poort. Geen bord dat uitlegde waar je was. Het Herstelhuis wist blijkbaar liever niet als instelling gezien te worden. Het wilde voelen als een ruimte waar men terechtkwam voordat terechtkomen een probleem werd.
Nore stopte bij een nis in de gang. Geen deur. Alleen een opening met twee stoelen, een smalle waterlijn in de wand en een veld dat waarschijnlijk kon sluiten als dat nodig werd. Ze draaide zich naar hem toe.
Haar blik ging naar zijn handen.
Niet opvallend. Professioneel genoeg om het als zorg te laten gelden. Zijn rechterhand was leeg. Zijn linkerhand zat om het glasplaatje van Seelinne geklemd.
“Persoonlijk object?” vroeg zij.
“Het doet niets.”
“Dat vroeg ik niet.”
Hij keek naar haar.
Er zat geen afkeuring in haar gezicht. Dat maakte het lastiger. Mensen met macht waren eenvoudiger wanneer zij onaardig waren. Nore had een gezicht dat ontworpen leek door jaren van nabijheid bij breekbare mensen. Niet zacht op zichzelf. Getraind zacht.
“Een collega gaf het mij,” zei hij.
“Is het verbonden?”
“Nee.”
“Responsief?”
“Nee.”
“Therapeutisch?”
Hij wilde nee zeggen.
Toen dacht hij aan Seelinne, aan haar beker, aan haar eigen lichtlijn, aan het moment waarop zij had gezegd dat niet alles iets hoefde te doen.
“Ik weet het niet,” zei hij.
Nore liet dat antwoord staan.
“U mag het bij u houden. Niet aan Maránne geven zonder dat ik het vraag.”
“Waarom niet?”
“Objecten kunnen ankeren.”
“Dat is toch goed?”
“Soms.”
Ze zei het zonder dreiging. Dat was erger dan dreiging. Dreiging had tenminste richting.
Gjules stak het glasplaatje in zijn binnenzak.
De luchtbel lag ineens tegen zijn borst.
Koel. Nutteloos. Bijna zwaar.
“U hebt de minimale voorbereiding voltooid,” zei Nore.
“Ja.”
“U hebt het simulatiegesprek niet geopend.”
“Niet helemaal.”
“Maar ook niet gebruikt.”
“Nee.”
“Dat is toegestaan.”
“Alles is toegestaan.”
“Binnen marge.”
Hij had niet moeten glimlachen, maar er trok iets aan zijn mond.
Nore zag het. Natuurlijk zag ze het.
Het Herstelhuis was niet stil. Dat had hij verwacht, en zijn verwachting klopte niet. Er was water te horen, echte stroming of iets dat daar dichtbij genoeg kwam. Er waren voetstappen, stemmen achter halfopen doorgangen, een korte lach die niet werd weggefilterd voordat hij ruw werd. Het gebouw leek minder glad dan het Register. Niet onveilig. Nooit onveilig. Maar het liet meer liggen.
Aan de wand hing geen bewegwijzering. De vloer gaf hun route aan met een verandering in temperatuur. Koeler naar links, warmer rechtdoor. Zijn voeten begrepen het voordat hij het wilde.
“Hoe lang mag ik blijven?” vroeg hij.
“Het venster is twintig minuten.”
“En als het goed gaat?”
“Dan kunnen twintig minuten lang duren.”
Hij keek opzij.
Nore glimlachte niet.
“Dat was geen antwoord.”
“Het was het bruikbare antwoord.”
Ze stopten opnieuw, ditmaal bij een smaller deel van de gang. Het watergeluid werd dunner, alsof het gebouw hen wat ruimte gaf zonder daar een kamer van te maken.
“Maránne is niet verward op de manier waarop bezoekers dat woord meestal gebruiken,” zei Nore.
Dat raakte hem harder dan de richtlijnen.
“Wat bedoelt u?”
“Zij is helder. Vaak zeer helder. Haar probleem is niet dat zij geen verbanden legt. Haar probleem is dat zij verbanden legt die wij niet kunnen delen.”
Wij.
Niet u.
Niet zij.
Wij.
Daar was de tussenpositie weer, nu met een menselijk gezicht.
“En als ze gelijk heeft?” vroeg hij.
De vraag was eruit voordat hij haar goed had gebouwd.
Nore keek hem aan. Een seconde. Misschien twee.
“Dan is het nog steeds onze taak om haar veilig te houden tot wij weten wat gelijk betekent.”
Hij wilde die zin haten.
Hij kon het niet helemaal.
“Is ze bang?” vroeg hij.
“Niet voor u.”
Dat antwoord liet te veel open.
Nore legde haar hand kort tegen de wand. Er verscheen geen scherm, maar iets in de ruimte veranderde. De gang achter hen schoof verder weg zonder dat hij stiller werd.
“Laat haar beginnen,” zei Nore. “Gebruik geen correctie. Geen bevestiging van niet-gedeelde waarneming. Geen oude conflicten zonder aanleiding. Geen privédetails tenzij zij erom vraagt.”
“Ik weet het.”
“Weten helpt soms weinig.”
Het was de eerste zin van haar die hij mooi vond.
Dat irriteerde hem.
“En als ik niets weet te zeggen?”
“Dan zegt u niets.”
“Dat kan ook verkeerd zijn.”
“Ja.”
Hij keek naar haar.
“Dat is geen geruststelling.”
“Nee.”
Voor het eerst geloofde hij dat zij niet probeerde hem gerust te stellen.
Dat hielp meer dan geruststelling.
“Ze zit in de lichtkamer,” zei Nore.
“Waarom heet dat zo?”
“Ze koos de naam.”
Achter de opening lag een korte gang. Aan het einde daarvan stond een deur die niet leek op een deur. Meer een overgang in materiaal, een plek waar de wand had besloten iets door te laten. Nore liep mee tot vlak ervoor.
“Als het veld amber wordt, vertraagt u.”
“En als het rood wordt?”
“Dan bent u te laat.”
Hij keek naar haar.
Deze keer glimlachte zij wel. Heel klein, bijna spijtig.
“Maar we proberen rood te vermijden.”
Natuurlijk, dacht hij.
Rood maakte mensen bang.
Nore raakte de deur niet aan.
Toch ging zij open.
Maránne zat bij het raam.
Hij had gedacht dat ze bleker zou zijn. Zwakker. Meer kapot, misschien. Dat was een lelijk woord en hij had het toch gedacht. Ze zat op de vloer, niet op de stoel, met haar knieën opgetrokken en haar rug tegen de lage wand. Haar haar was korter dan hij zich herinnerde, onregelmatig kort, alsof iemand het voorzichtig had geknipt en zij halverwege had gezegd dat het genoeg was.
Ze keek niet naar hem.
Buiten het raam was geen buiten. Alleen een lichtvlak met diepte, waterlijnen, een trage suggestie van wolken. Het Herstelhuis gaf bewoners blijkbaar een horizon die veilig genoeg was om niet echt te hoeven zijn.
Maránne hield één hand tegen het glas.
Haar voeten waren bloot.
Natuurlijk.
Hij bleef in de deuropening staan.
Nore bleef achter hem, niet in de kamer. Aanwezig, beschikbaar, professioneel onzichtbaar. De perfecte afstand.
“Gjuul,” zei Maránne.
Zijn naam brak iets eenvoudigs in hem open.
Niet Gjules.
Gjuul.
Niemand noemde hem zo.
Niet meer.
“Maránne.”
Ze draaide haar hoofd iets, net genoeg om hem te zien zonder het lichtvlak los te laten.
“Je ziet eruit alsof je geoefend hebt.”
Hij had een zin klaar. Meerdere zelfs. Het systeem had er een hele ochtend aan gebouwd.
Hij vond er geen één.
“Dat heb ik ook,” zei hij.
Ze glimlachte.
Het was geen grote glimlach. Geen herstelglimlach. Geen gezicht dat geruststelde omdat de ander dat nodig had. Gewoon haar mond, moe en levend.
“Dan zal het wel niet helpen.”
Ze zei het zonder wreedheid.
Dat maakte het erger.
Hij stapte de kamer in.
Achter hem bleef de opening open. Geen deur die sloot. Geen klik. Geen beslotenheid. Daardoor voelde hij zich meer bekeken dan wanneer er sloten waren geweest.
“Wil je dat ik blijf?” vroeg hij.
De zin kwam er te netjes uit.
Maránne keek nu echt naar hem.
“Die hebben ze je gegeven.”
Hij slikte.
“Ja.”
“Het is geen slechte zin.”
“Nee.”
“Maar je zegt hem alsof je bang bent dat hij breekt.”
Hij keek naar Nore, of bijna. Hij stopte zichzelf op tijd.
Maránne zag het.
“Ze hoort ons toch wel.”
“Ja.”
“Dan hoef je niet te doen alsof ze er niet is.”
Nore zei niets.
Dat was haar vak, waarschijnlijk.
Er stond een stoel voor bezoekers. Goede afstand. Goede hoek. Oogcontact zonder druk. Vloervlak stabiel, armleuning laag, ontsnappingslijn vrij. Hij zag de logica ervan. Hij wist dat het een goede stoel was.
Hij ging op de vloer zitten.
Niet naast Maránne. Daarvoor was hij nog te laf. Schuin tegenover haar, met genoeg ruimte tussen hen om veilig te lijken en dichtbij genoeg om niet helemaal bezoeker te zijn.
Het veld aan de rand van de kamer bleef kleurloos.
“Dat mag vast niet,” zei Maránne.
“Het staat nergens dat het niet mag.”
“Jij en je regels.”
“Ja.”
“Vroeger gebruikte je ze om gelijk te krijgen.”
Hij keek naar zijn handen.
“Ja.”
Ze liet het daarbij.
Dat was erger dan beschuldiging.
Het lichtvlak voor haar veranderde langzaam. Wolken, of wat ervoor doorging, schoven opzij. Er verscheen een lichtere strook. Geen zon. Zon was waarschijnlijk te direct voor een herstelkamer.
Maránne keek weer naar buiten.
“Ze hebben je mijn lijst laten zien.”
“Welke lijst?”
“De woorden.”
Hij voelde de binnenzak van zijn werkkleding.
Glas tegen borst.
“Niet helemaal.”
“Wel genoeg.”
“Een paar fragmenten.”
“Toon,” zei ze.
Hij antwoordde niet.
“Stem.”
Nore bewoog niet.
“Regen.”
Hij knikte.
“Buiten.”
“Ja.”
“Schuld?”
Hij zei niets.
Maránne trok haar hand van het glas. Op het raam bleef even de afdruk van haar vingers staan voordat het materiaal haar warmte gelijkmaakte.
“Schuld laten ze altijd staan,” zei ze.
Zijn keel werd droog.
“Waarom?”
“Omdat schuld je rustig maakt.”
Het veld aan de rand van de kamer bleef kleurloos.
Dat had iets onfatsoenlijks.
Alsof de kamer zelf vond dat deze zin binnen marge viel.
Maránne keek naar haar eigen voeten.
“Niet altijd hoor,” zei ze.
De zachtheid van die toevoeging verraste hem.
“Wat niet altijd?”
“Rustig.”
Ze wiebelde met haar tenen tegen de vloer. Alsof ze probeerde te voelen of het gebouw leefde.
“Vandaag ben ik vooral moe.”
Die zin deed iets wat haar scherpte niet deed.
Hij geloofde haar meteen.
“Wil je dat ik wegga?”
“Nee.”
“Wil je dat ik blijf?”
“Nu klinkt hij beter.”
Hij lachte bijna.
Bijna.
“Dat is niet eerlijk.”
“Ik ben ook in herstel. Niet in eerlijkheidstraining.”
Nore ademde achter hem, heel zacht. Misschien was het lachen. Misschien niet.
Maránne keek naar het lichtvlak.
“Ze hebben de wolken langzamer gezet.”
“Waarom?”
“Omdat ik gisteren misselijk werd van de lucht.”
“Van de lucht?”
“Van de beweging die deed alsof ze lucht was.”
Hij wilde vragen wat zij bedoelde.
Hij deed het niet.
Dat was moeilijker dan vragen.
“Goed,” zei Maránne.
“Wat?”
“Dat je het niet vroeg.”
Hij dacht aan de richtlijnen.
VRAAG NIET: WAT BEDOEL JE?
VRAAG LIEVER: WIL JE DAT IK BLIJF?
Hij haatte dat het werkte.
“Niet alles wat helpt is fout,” zei Maránne.
Hij keek op.
“Dat dacht ik ook niet.”
“Jawel.”
Ze zei het bijna vriendelijk.
“Je loopt de hele tijd alsof je bang bent dat een goede zin je verraadt.”
Hij had geen antwoord.
Dat was beter.
Maránne sloot haar ogen.
Heel even.
“Vanmorgen rook het naar regen,” zei ze.
De kamer leek kleiner te worden.
Het kwam niet eerst als gedachte. Het kwam als huid. Een koud vlak onder zijn knieën. Zijn eigen vingers, jonger, tegen het onderhoudsmateriaal. De lucht boven het dak, glad en zonder wind. Maránne naast hem, blote voeten, hoofd schuin. En hij, veilige jongen, met een nee in zijn mond voordat hij wist hoeveel schade een nee kon doen.
Zijn hand sloot te hard om niets.
Het glasplaatje zat in zijn binnenzak.
Hij voelde het niet.
Hij voelde alleen dat het er was.
“Waar rook het naar regen?” vroeg hij.
De amberrand werd iets zichtbaarder.
Niet veel.
Genoeg.
Maránne opende haar ogen.
“Niet waar.”
Hij wachtte.
Zij keek hem aan.
“Wanneer.”
Het woord bleef tussen hen liggen.
Niet groot.
Niet luid.
Niet behulpzaam.
“Maránne,” zei Nore.
Geen waarschuwing. Alleen haar naam.
Maránne knikte, alsof ze dat redelijk vond.
Dat was misschien het vreemdste.
“Ze mag dat doen,” zei Maránne tegen hem.
“Wat?”
“Mij terugroepen.”
Hij keek naar Nore.
Deze keer liet hij het gebeuren.
Nore stond nog steeds buiten de kamer. Professioneel onzichtbaar. Menselijk aanwezig. Het was een bijna onmogelijke houding.
“Helpt het?” vroeg hij.
Maránne haalde haar schouders op.
“Soms.”
Hetzelfde woord als Nore.
Niet op dezelfde manier.
“En soms?”
“Dan weet ik tenminste dat ik nog terug kan.”
Hij wilde die zin bewaren.
Hij wist meteen dat hij dat woord niet moest denken.
Bewaren.
Maránne keek naar zijn binnenzak.
“Je hebt iets meegenomen.”
Zijn hand ging vanzelf naar het glasplaatje.
Nore zag het.
“Niet geven,” zei ze.
Maránne zuchtte.
Niet dramatisch. Eerder moe van voorspelbaarheid.
“Ze denkt dat ik alles wat beweegt ergens aan vastmaak.”
“Het beweegt niet,” zei Gjules.
Maránne keek naar hem.
“Dan is het zeker van jou.”
Hij haalde het glasplaatje half uit zijn binnenzak, niet genoeg om het aan te bieden. Alleen genoeg om het licht te vangen. De luchtbel stond stil in het midden.
Maránne keek ernaar.
Lang.
“Fout,” zei ze.
Nore kwam een fractie dichter bij de opening.
Gjules voelde het zonder haar te zien.
“Wat bedoel je?”
“Dat vroeg jij vroeger ook altijd.”
“Wat?”
“Wat bedoel je?”
Hij dacht aan de richtlijn.
Hij had het toch gevraagd.
Maránne glimlachte niet.
“Een luchtbel,” zei hij.
“Dat is wat mensen zeggen wanneer ze de fout mogen houden.”
Het veld aan de rand van de kamer werd iets warmer.
Amber, nog niet hard.
Hij keek niet naar Nore.
Hij keek naar Maránne.
Dat was een keuze.
Misschien zag zij dat.
Misschien niet.
“Ik weet niet of ik hem mag houden,” zei hij.
“Je houdt hem al.”
Hij schoof het glasplaatje terug in zijn binnenzak.
Zijn vingers trilden.
Maránne keek weer naar haar voeten. Ze drukte haar tenen tegen de vloer. Eén keer. Twee keer. Bij de derde keer stopte ze, niet omdat het systeem haar tegenhield, maar omdat zij zichzelf betrapte.
“Ben je moe?” vroeg hij.
“Ja.”
“Wil je stoppen?”
“Nee.”
“Wat wil je dan?”
Ze dacht na.
Dat was goed.
Dat was vreselijk.
Ze was niet alleen helder. Ze moest door haar eigen helderheid heen bewegen, alsof elk antwoord eerst langs iets moest dat haar wilde helpen voordat het haar eigen mond bereikte.
“Ik wil even geen goede vraag,” zei ze.
Hij knikte.
Geen goede vraag.
Dat kon hij.
Misschien.
Ze zaten stil.
Het lichtvlak werd lichter. Een wolkachtige strook schoof opzij, te langzaam om echt te zijn. Buiten het raam was geen weer. Alleen een afgesproken vorm van buiten.
Maránne legde haar hoofd tegen de wand.
“Toen het naar regen rook,” zei ze, “was jij er niet.”
Hij bleef stil.
De zin vroeg niet om antwoord.
Misschien was dat waarom hij hem kon verdragen.
“Ik was er wel op het dak,” zei hij uiteindelijk.
“Niet toen.”
“Wanneer dan?”
Ze keek naar hem.
De amberrand werd warmer.
Hij had het zelf gehoord.
Wanneer.
Niet waar.
Wanneer.
“Sorry,” zei hij.
Het woord kwam te snel.
Deze keer voelde het anders.
Nore hoorde dat ook.
Maránne keek niet weg.
“Waarvoor?”
Er waren zoveel antwoorden dat geen ervan door zijn mond paste.
Voor het dak.
Voor nee.
Voor de oefenzinnen.
Voor dat hij wilde dat zij hem zou vergeven voordat hij wist of hij haar geloofde.
Voor dat hij op de vloer zat en nog steeds hoopte dat iemand hem zou zeggen welke woorden geen schade maakten.
“Ik weet het niet,” zei hij.
Dat was waar.
Maránne knikte.
Alsof ze liever waarheid kreeg die niets hielp dan hulp die nergens waar werd.
De amberrand koelde iets af.
Niet helemaal.
“Dat is beter,” zei ze.
“Dan wat?”
“Dan sorry als deur dicht.”
Hij voelde die zin.
Niet omdat zij mooi was.
Omdat zij scheef was.
Omdat zij bijna niet klopte en juist daardoor niet meteen bruikbaar werd.
Nore zei niets.
Het venster moest bijna halverwege zijn. Hij had de tijd niet gezien. Dat was waarschijnlijk meetbaar. Misschien stond ergens in Nore’s veld dat bezoeker tijdsoriëntatie verloor. Misschien was dat slecht. Misschien juist goed.
Maránne keek naar zijn handen.
“Je duim.”
Hij keek omlaag.
Zijn linkerduim drukte tegen de zijkant van zijn knie.
Hij haalde hem weg.
“Laat maar,” zei ze.
Hij legde hem terug.
Niet helemaal op dezelfde plek.
Dat was laf, maar minder laf dan wegtrekken.
“Je deed dat toen ook.”
“Ik weet het.”
“Je wist het toen niet.”
“Nee.”
“Nu wel?”
“Ja.”
“Mooi.”
Hij lachte kort.
Te kort.
“Je zegt steeds mooi tegen dingen die dat niet zijn.”
“Dat doen mensen vaak.”
“Wie?”
“Jullie.”
Hij had willen zeggen: ik ben geen jullie.
Maar dat was niet waar.
Niet genoeg.
“Ze hebben de stilte niet helemaal dichtgemaakt,” zei ze.
Daar was het.
Niet als schreeuw. Niet als profetie. Niet met de ogen van iemand die verdween in eigen beelden. Ze zei het alsof zij hem vertelde dat een raam kierde.
De amberrand werd warm.
“Maránne,” zei Nore.
Deze keer zat er iets meer in haar stem.
Niet angst.
Nauwkeurigheid.
“Het is goed,” zei Maránne.
Tegen Nore.
Niet tegen hem.
Toen keek ze naar Gjules.
“Hij kwam omdat hij het hoorde.”
Zijn mond werd droog.
“Wat hoorde?”
Hij hoorde zelf hoe nutteloos die vraag was.
Maránne glimlachte een beetje.
Niet triomfantelijk. Moe.
“Bijna niets.”
Het veld bleef amber.
Geen rood.
Nog niet.
Hij voelde zijn hartslag in zijn handen.
Bijna niets.
Dat was dichterbij dan iets.
“Ik hoorde iets,” zei hij.
Het woord iets bleef staan.
Niet genoeg voor waarheid.
Te veel voor ontkenning.
Maránne sloot haar ogen.
Heel langzaam.
Alsof zij niet wilde dat iemand kon zeggen dat ze wegviel.
“Ja,” zei ze.
Nore bewoog niet.
De kamer ook niet.
Misschien was dat onmogelijk. Misschien werd er in lagen onder hen van alles verschoven, gemeten, gewogen, voorbereid.
Maar aan de oppervlakte bleef de wereld één adem lang stil.
Niet leeg.
Alleen niet ingevuld.
Toen opende Maránne haar ogen weer.
“Dat was geen helpende zin,” zei ze.
“Nee.”
“Goed.”
Hij wist niet wat hij met zijn gezicht deed.
Waarschijnlijk iets ongeschikts.
Maránne zag het en lachte.
Heel kort.
Het geluid was schor.
Het was ook gewoon lachen.
Daardoor werd het bijna ondraaglijk.
“Je kijkt alsof iemand je zojuist toestemming heeft gegeven om slecht te zijn,” zei ze.
“Misschien voelt het zo.”
“Dan moet je oefenen.”
“In slecht zijn?”
“In niet meteen goed willen zijn.”
Hij keek naar de vloer.
De bezoekersstoel stond nog steeds leeg.
Het veld bleef amber, maar niet warmer.
Maránne keek naar het lichtvlak. De langzame wolken bewogen alsof iemand hen had geleerd voorzichtig te zijn.
“Daar ben ik bang voor,” zei ze.
“Waarvoor?”
Ze antwoordde niet meteen. Haar tenen drukten kort tegen de vloer, daarna niet meer.
“Dat ik op een dag alleen nog de woorden overhoud die helpen.”
Hij voelde de zin niet als gedachte.
Eerder als iets wat in de kamer zijn plaats niet vond.
Nore zei niets.
Het veld veranderde niet.
Dat maakte het erger.
“Dat gebeurt niet,” zei hij.
De zin was eruit voordat hij wist dat zij fout was.
Maránne keek naar hem.
Niet boos.
Moe.
“Daar,” zei ze.
Hij begreep het.
Niet helemaal.
Genoeg om zijn mond te sluiten.
Maránne trok haar knieën iets dichter naar zich toe.
“Je moet me niet helpen vandaag.”
Hij keek op.
“Wat moet ik dan doen?”
“Onthouden.”
“Wat?”
“Dat je het niet weet.”
Dat was onredelijk.
Onbruikbaar.
Bijna wreed.
Hij knikte.
“Oké.”
“Niet als goede zin.”
Hij ademde uit.
“Oké,” zei hij opnieuw.
Beter.
Nore kwam nu tot aan de rand van de kamer.
“Laatste minuut,” zei zij.
Maránne legde haar hand weer tegen het raam. Haar vingers vonden dezelfde plek als eerder. Het materiaal nam haar warmte aan en begon haar daarna uit te vlakken.
“Toen het naar regen rook,” zei ze, “was jij er niet.”
Hij zei niets.
Deze keer liet hij de zin staan.
Ze keek naar hem over haar schouder.
“Volgende keer geen geoefende zinnen meenemen.”
“Wat dan wel?”
Haar ogen gingen naar zijn binnenzak.
“Die fout.”
Hij legde zijn hand op het glasplaatje.
Niet om het te geven.
Alleen om zeker te weten dat het er nog was.
Nore zei zijn naam.
Niet hard.
“Gjules.”
Hij stond op.
Te snel. De vloer ving zijn beweging op voordat hij wankelde. Hij haatte dat. Hij was er dankbaar voor. Allemaal tegelijk.
“Dag, Maránne.”
Ze trok een gezicht.
“Dat klinkt alsof je weggaat uit een oud programma.”
Hij wist niet of oude programma’s nog bestonden.
“Wat moet ik zeggen?”
“Niets.”
Hij knikte.
Dat lukte.
Bij de opening keek hij nog één keer om.
Maránne zat weer naar het lichtvlak gekeerd, hand tegen het raam, blote voeten op de vloer. Het veld rond de kamer was bijna kleurloos. Bijna.
Hij stapte naar buiten.
De deur sloot niet.
De overgang werd alleen weer wand.
Nore liep naast hem terug door de korte gang. Pas toen ze buiten gehoorafstand waren, of wat in Herstelhuis C-West daarvoor doorging, sprak zij.
“U hebt de marge opgezocht.”
“Ja.”
“Waarom?”
Hij wist het antwoord niet.
Of hij wist er te veel.
Omdat zij daar zat.
Omdat zij Gjuul zei.
Omdat een fout misschien gehouden mocht worden.
Omdat het woord iets minder laf was dan nee.
Omdat niemand mocht vragen om waarheid en alleen woorden overhouden die hielpen.
“Ze vroeg me niets mee te nemen dat geoefend was,” zei hij.
“Dat is geen bruikbare motivatie.”
“Nee.”
Nore bleef staan.
Hij ook.
Water liep ergens achter een wand. Of iets dat daarop leek.
“Maar ik begrijp haar,” zei Nore.
Hij keek naar haar.
Ze zei niet: ik begrijp u.
Ze zei niet: ik begrijp het.
Alleen haar.
Dat was genoeg.
Misschien te veel.
“Mag ik terugkomen?”
“Dat hangt ervan af.”
“Waarvan?”
“Van haar. Van u. Van wat dit bezoek heeft vastgezet.”
“Vastgezet?”
“Of losgemaakt.”
Ze keek naar zijn binnenzak.
“En van dat object.”
“Het doet niets.”
“Dat blijft u zeggen.”
“Het blijft waar.”
“Dat is niet altijd hetzelfde.”
Hij had geen antwoord.
Nore liep door.
Bij de uitgang naar de transitruimte verscheen zijn route vanzelf. Korter dan de heenweg. Misschien omdat hij nu minder keuzes hoefde te maken. Misschien omdat het systeem vond dat hij terug moest voordat hij verder uit elkaar viel.
AANKOMST REGISTER: 18 MIN.
HERSTELPERIODE AANBEVOLEN.
CONTACTVERWERKING BESCHIKBAAR NA TERUGKEER.
Contactverwerking.
Daar zou alles in staan.
Niet alles.
Dat wist hij nu al.
Hij stapte de transitcabine in.
Er was niemand anders.
De stoel paste zich aan zijn rug aan.
Hij schoof iets naar voren, zodat er ruimte bleef tussen hem en de leuning.
De cabine accepteerde dat.
Voorlopig.
Buiten viel geen regen.
Toch rook hij haar.